(135) Burgerparticipatie bij het project Servies: longread over de fijnstofproblematiek in Brugge

AUTEURS: Yara Abdel Mawgoud, Jelle Vandecappelle, Amber Van Houtte, Sefora Ferreira, Jasper Sissau en Sophie Joye

THEMA: Klimaat, Gezondheidszorg

OPMERKING: Dit artikel is een samenvatting van de bachelorscriptie van zes laatstejaarsstudenten aan VIVES Kortrijk. Zij vonden het relevant om hun bevindingen samen te vatten en te delen.

photo-1554511491-0f21bacd5ba0

Wat is SerVies?

SerVies in Brugge maakt deel uit van Handmade in Brugge. Zij werden geïnspireerd door het Rotterdamse project serVies. Samen met de stadsbewoners en keramisten wil SerVies Brugs servies ontwikkelen geglazuurd met lokaal geoogst fijnstof vanuit een aantal buurten in Brugge. Kleurschakeringen op de borden stellen verschillende concentraties fijnstof voor. Het idee is om visueel weer te geven hoeveel fijnstof een Brugse bewoner gemiddeld inademt wanneer hij 25, 45, 65 of 85 jaar in Brugge leeft. Het doel van het project is om de Brugse bevolking bewust te maken van het fijnstof dat in de lucht hangt. Met dit project willen ze ook andere steden inspireren om zo de problematiek van de concentraties fijnstof in de verf te zetten. Leuven en Oostende worden als partnersteden van Brugge actief betrokken in dit gegeven. Voor dit project wordt directe participatie beoogd. De deelnemers die meedoen aan de fijnstofoogst bouwen mee aan het vormgeven van het einddoel van dit project. Ze verzamelen het fijnstof dat gebruikt wordt om het servies te glazuren. In het najaar van 2021 worden alle deelnemers opnieuw uitgenodigd aan een lange tafel waar ze dan uit het servies mogen eten.

Wij mochten meehelpen aan het project SerVies. Onze hoofddoelstelling was om een draaiboek ontwikkelen met mogelijke participatieve methodieken die kunnen worden ingezet bij het project én het verzamelen van het fijnstof. Het gaat specifiek over methodieken voor het betrekken van (buurt)bewoners bij het project en meer specifiek bij het effectief verzamelen van het fijnstof. Tijdens deze oogstmomenten moet er ook aan peer-to-peer learning gedaan worden dus onderzochten we eveneens dit onderwerp. De buurten waar fijnstof geoogst werden, mochten we zoeken. We ontwikkelden hiervoor een stappenplan om de meest geschikte oogstbuurt te vinden. We hielpen ook mee om een mini-expo rond fijnstof te ontwikkelen. Onze hoofdvraag bij deze bachelorproef was: ’Hoe kunnen we de burgers betrekken bij het project SerVies, vanaf de fijnstofoogst, zodat de betrokken burgers zich bewust worden over de fijnstofproblematiek in Brugge?’

Wat is fijnstof?

Fijnstof is een verzamelnaam voor alle koolstofdeeltjes die in de lucht zweven, maar die je niet kunt zien. Zichtbaar ‘stof’ is dus geen fijnstof, maar tussen die grotere zichtbare deeltjes kunnen niet-zichtbare fijnstofdeeltjes zweven. Fijnstof bestaat uit zeer kleine deeltjes die aanwezig zijn in de lucht. We spreken meestal over PM10 en PM2,5 (Particulate Matter). Dat staat voor deeltjes die kleiner zijn dan 10 of 2,5 micrometer. Hoe kleiner het fijnstofdeeltje, hoe dieper het doordringt in de longen en hoe schadelijker het is voor de gezondheid. De allerkleinste deeltjes, ultrafijnstof, kunnen makkelijk worden opgenomen in het bloed. Deze kunnen naar de hersenen dringen en zelfs naar de placenta bij een zwangere vrouw. Doordat ze zo klein zijn, kunnen ze ook diep doordringen in de longen en zijn ze dus algemeen schadelijk voor de gezondheid. Fijne koolstofdeeltjes komen het makkelijkst het lichaam binnen via de ademhalingswegen. Om zich te beschermen bedekken slijmvliezen zich met een slijmlaag (Van Hees & Avonts, 2018) (Brugge, 2017).

Oorsprong fijnstof

In het huis is een sigaret roken de grootste bron van fijnstof. De tweede grootste boosdoener is de houtkachel.  Bij de houtverbanding komt fijnstof uit de schoorsteen en wordt het door de wind over grote oppervlakten verspreid. In een smalle straat met rijhuizen kan de rook van houtverbranding op die manier aanleiding geven tot hogere concentraties fijnstof dan gemotoriseerd fijnstof. Een groot deel van het fijnstof komt uit het buitenland. Bovenop de buitenlandse bijdrage komt de regionale, stedelijke en de lokale bijdrage in de straat. Vooral de bijdrage in de straat wordt bepaald door het verkeer. Ook de verwarming van gebouwen draagt op lokaal vlak sterk bij tot de luchtkwaliteit (Brugge, 2017).

Effecten van fijnstof?

Vooral in de bovenste luchtwegen (keel, neus, sinussen, luchtpijp) is veel slijm aanwezig. Stofdeeltjes blijven daarin kleven en door kuchen, snuiven en hoesten komt het in de keel terecht, waarna men deze kan doorslikken.

Fijnstof is niet alleen koolstof, maar bevat ook complexe chemische verbindingen of zware metalen. De allerkleinste stofdeeltjes blijven plakken in onze longen en vinden hun weg langs onze bloedcellen naar de hersenen.

Alsmaar meer mensen krijgen lymfklierkanker (door de ontstekingsreactie van de longen gaan de fijn stofdeeltjes naar de lymfeklieren), longaandoeningen, … De permanente aanwezigheid van fijnstof in de lucht kan ieders leven negen maanden verkorten. Zwakkere mensen kunnen zelfs tot tien jaar eerder sterven door deze gezondheidsproblematieken. Recent onderzoek toont aan dat de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging veel ernstiger zijn dan eerder aangenomen. Hoe meer vervuiling en hoe langer men woont in een vervuilde omgeving, hoe minder levensjaren een mens zal hebben (Van Hees & Avonts, 2018).

Participatiemethoden: Deel I

Eerst en vooral werd er literatuurstudie gedaan naar participatiemethoden. Daaruit komen een aantal bestaande participatiemethoden voort. Uit deze bestaande participatiemethoden werd er een compleet nieuwe samengestelde participatiemethodiek ontwikkeld. Aan de hand van de participatieladder hebben we op coproductie niveau proberen te werken.

1. Open space: Deze methode werd gebruikt om de activiteit net voor het oogstmoment vorm te geven. Algemeen begint deze methode waar iedereen in een kring zit. Deelnemers bepalen de thema’s en formuleren twee positieve of negatieve ervaringen of ideeën. Alles wordt gehangen aan een bord waardoor er clusterbomen ontstaan per thema.

Daarna wordt iedereen ingedeeld in groepjes en bespreken ze elk een clusterboom. Hierna komt iedereen terug samen en worden de besluiten gedeeld. Met deze methode kan gemakkelijk gepeild worden hoe deelnemers, tijdens de oogstmomenten, denken over de fijnstofproblematiek. De mening van iedereen wordt in rekening gebracht (ophangen aan de clusterboom), waardoor iedereen zich betrokken voelt in het proces (Samenlevingsopbouw, z.d.).

2. Dialoogmethode: De dialoogmethode wordt gebruikt om moeilijk bereikbare doelgroepen aan te zetten tot participeren.  Deze methode geeft deze doelgroep de kans om naar voor te treden als volwaardige gesprekspartner. Er zijn vier essentiële stappen: bouw een vertrouwensband op met de doelgroep, inventariseer hun behoeften, nodig experts om structurele knelpunten uit te leggen en stel een rapport op op basis van de ervaringen van de doelgroep en de expertise van de experts (VVSG, 2019). In de samengestelde methodiek wordt deze vertrouwensband opgebouwd door onderweg naar de oogstplaats op een laagdrempelige manier te praten met de personen uit je groepje. De fijnstofambassadeur is dan de persoon met de expertise.

3. Scenariomethodiek: Aan de hand van toekomstscenario’s ben je beter voorbereid op trends en ontwikkelingen. Scenariomethodieken zijn een geschikte manier om bewoners te betrekken bij langdurige kwesties. Het opstellen van een scenario wordt meestal gedaan door experts, maar met deze methodiek wordt dit doorbroken en betrek je ook de burgers. De deelnemers denken na over de invloed van externe factoren (demografisch, economisch, sociaal-cultureel, technologisch, politiek of ecologisch van aard). Men kiest één thema. Deelnemers analyseren welke factoren een invloed hebben op dit beleidsthema en beschrijven mogelijke scenario’s. Kranten, tijdschriften, websites, wetenschappelijke artikels… kunnen inspiratie bieden aan toekomstige ontwikkelingen. Deze scenario’s hebben geen doel op zich, maar zijn een hulpmiddel om over toekomstige kansen en bedreigingen na te denken. Een variant op deze methode heet ‘Envisioningworkshop’. Deze workshop is voor 18 tot 22 deelnemers. Op basis van enkele vooropgestelde toekomstscenario’s wordt een interactieve discussie gevoerd en wordt nagedacht over werkwijzen of oplossingen om samen tot een actieplan te komen (VVSG, 2019). Deze methode wordt heel duidelijk toegepast tijdens de activiteit na het oogsten van fijnstof. De bedoeling is dan dat deelnemers een poster maken waarop hun droomtoekomst staat.

4. Politieke affiche ontwerpen: Het oorspronkelijk idee van deze methode gaat over politieke partijen. Een eigen affiche ontwerpen brengt deelnemers dichter bij het onderwerp. In dit geval over politiek, maar je kan dit zo vervormen dat het over allerlei onderwerpen kan gaan. Naar aanleiding van het onderwerp kunnen er informerende gesprekken volgen met mede-geïnteresseerden. Deze affiches bevatten een leuke slogan om duidelijk te maken over wat het thema gaat en de belangrijkste doelstellingen over het thema. In een later stadia van de methode kan een terugkoppeling gedaan worden. Dit kan gebeuren aan de hand van een tentoonstelling, waarin de verschillende partij-affiches getoond worden. Deze affiches kunnen ook in de media-aandacht gebracht worden (VVSG, 2019). Net zoals de scenariomethode is deze methode ook goed herkenbaar bij de activiteit na het oogstmoment omdat de deelnemers poster maken over hun droomtoekomst.

5. Metaplan: Het metaplan is een methode om ideeën snel te verzamelen of te delen. Alle deelnemers krijgen een vraag en dan kunnen ze hun ideeën neerschrijven op post-its. Een voorbeeld van een vraag zou dan bijvoorbeeld “Hoe kunnen we helpen om fijnstof tegen te gaan?” kunnen zijn. Een mogelijk idee van een deelnemer kan zijn: ‘Door eventueel de auto minder te gebruiken’ Alle ideeën worden gegroepeerd in categorieën en in de ruimte opgehangen. Vervolgens krijgt iedere deelnemer rode en groene stickers. Die mogen ze plakken bij volgens hen beste en slechtste idee (VVSG, 2019). Deze methode wordt samen met open space en het praatcafé omgevormd tot de activiteit voor het oogstmoment. Uit het metaplan wordt het gebruik van post-its overgenomen om zo snel ervaringen per thema te kunnen groeperen.

6. Ontwerpatelier: In een ontwerpatelier is het de bedoeling dat bewoners op een creatieve manier meewerken aan een project. Tijdens het atelier mogen, in dit geval, de inwoners in een afgebakende buurt of locatie iets ontwerpen. De organisator van dit atelier kan zelf bewoners contacteren. Er kunnen ook professionals ingezet worden, bijvoorbeeld een lokale kunstenaar, tekenaar, architect… De deelnemers hebben een duidelijk kader nodig waarbinnen ze hun creativiteit kunnen uiten (VVSG, 2019). De bewoners van de buurt kunnen hun creativiteit laten werken tijdens het oogsten van fijnstof. Het is ook toepasbaar op het keramiek gedeelte van het project.

7. Praatcafé: Het praatcafé is een creatieve manier om kennis en ideeën uit te wisselen. Dit kan dus nog voor het fijnoogstmoment plaatsvinden. Er wordt een sfeer gecreëerd zoals in een café waarbij deelnemers rond tafels kunnen zitten en kunnen discussiëren over een concreet probleem. Elke tafel kan een ander onderwerp hebben en elke tafel wordt geleid door een gespreksleider die een vrijwilliger kan zijn. Om de zoveel tijd verplaatsen de deelnemers van tafel om het over een ander onderwerp te hebben. Aan het einde van de sessie kunnen de belangrijkste inzichten samengevat worden (VVSG, 2019).

8. Knelpuntenwandeling: Bij deze methode wordt er gewandeld of gefietst met een kleine groep (buurt)bewoners in de buurt om te zoeken naar verbeterpunten voor een specifiek thema (VVSG, 2019). Dit wordt ook tijdens de fijnstofoogst al deels uitgevoerd. Er worden enkele plaatsen op voorhand uitgekozen om het fijnstof te oogsten. Deze plaatsen kunnen gezien worden als knelpunten of verbeterpunten. Door hier het fijnstof te oogsten, wordt het knelpunt al verholpen samen met de burgers. De knelpunten worden op voorhand door de projectmedewerkers gezocht of al samen met deelnemers die in de buurt wonen.

9. Lerende gemeenschap: Een lerende gemeenschap is een groep mensen die kennis met elkaar uitwisselen over een bepaald onderwerp. Deze groep ontstaat uit een gevoel van gezamenlijke betrokkenheid van burgers over een onderwerp en behoefte om er iets aan te veranderen. Er wordt gebrainstormd over ideeën en oplossingen voor de problemen over dit bepaald onderwerp (ProDemos, z.d). Deze methodiek kan in combinatie met een andere methodiek zeker een meerwaarde bieden. Dit werd ook geïntegreerd tijdens het fijnstof oogstmoment. Aan de hand van peer-to-peer learning informatie uitgewisseld worden tussen geïnteresseerden en (nog) niet-geïnteresseerden.

Participatiemethodiek: “oogst je buurt”

Voor dit bachelorproefproject werd ons een specifiek doel opgelegd. Er werd ons gevraagd om participatiemethodieken uit te werken om buurtbewoners te betrekken bij de fijnstofproblematiek in Brugge. In september 2020 zullen er fijnstofoogsten georganiseerd worden en hiervoor zal deze uitgewerkte participatiemethode nodig zijn.

De participatiemethodiek wordt opgedeeld in drie delen: voor, tijdens en na de fijnstofoogst. Hieronder wat meer uitleg over hoe deze methode in zijn werk gaat. Voor de ontwikkeling van deze nieuwe participatiemethodiek werden doelgroepen gekozen. Met deze doelgroep werd er ook telkens rekening mee gehouden. Dit zijn: scholieren (van 12 tot 17 jaar), jongvolwassenen (van 18 tot 24 jaar), volwassenen (van 25 tot 49 jaar) en buurtbewoners (50-plussers).

Voor de fijnstofoogst

Vóór het fijnstofoogstmoment is het de bedoeling dat de deelnemers discussiëren over de verschillende thema’s als ijsbreker. Ze zullen ervaringen met elkaar delen en alles wat er tijdens het overleg besproken wordt, zal ook genoteerd en opgehangen worden. Op het einde bekomen ze een clusterboom met gedeelde meningen en ervaringen.

Tijdens de fijnstofoogst

Hier zullen de deelnemers over fijnstof leren van elkaar en van de fijnstofambassadeur tijdens de wandeling over fijnstof. Dit allemaal aan de hand van peer-to-peer learning. De fijnstofambassadeur kan gezien worden als de ‘peer educator’. Dit is iemand die speciaal opgeleid wordt door Servies. Hij/zij zal eerder de mensen beïnvloeden doordat hij/zij info zal geven over fijnstof (oogsten).

Na de fijnstofoogst

Bij de afronding van de dag kunnen verschillende activiteiten gekozen worden. Dit zou op basis van twee mogelijke afsluiters kunnen gebeuren. Eén daarvan is dan bijvoorbeeld een evaluatiefiche.  Aan de hand van een evaluatiedocument dat deelnemers invullen kan het project geoptimaliseerd worden aan de hand van de gegeven feedback. Maar dit kan ook door iets creatief te bedenken over hun dag. De deelnemers denken dan na over hun droomtoekomst zonder fijnstof en maken hier iets tastbaar van zoals een poster, tekst of woordenwolk.

Stappenplan

Er werd een stappenplan gemaakt om te tonen hoe je de meest geschikte buurt voor een oogstmoment kiest. Dit stappenplan is universeel en kan dus ook in andere steden gebruikt worden.

1. Kies aan de hand van cijfergegevens over fijnstof en observaties via Google Streetview of live buurten uit waar er veel fijnstof te oogsten valt/is. Aan de uiteinden van tunnels en onder bruggen vergaart er zich bijvoorbeeld veel fijnstof. Daarnaast blijft er op hekwerk, elektriciteitskasten, vangrails… fijnstof liggen. Het is ook interessant om street canyons te zoeken. Dit zijn dus smalle straten met hoge gebouwen, waardoor het fijnstof moeilijk weg kan.

2. Een buurt kan ook uitgekozen worden a.d.h.v. het sociaal engagement van de buurtbewoners.

3. Baken de doelgroep af, want dit bepaalt verder welke factoren belangrijk zijn om te onderzoeken.

4. Bepaal andere belangrijke factoren om te onderzoeken in een buurt. Je kan demografische gegevens opzoeken om te weten in welke.

5. Werk de factoren uit per buurt. Via de databank van Provincies in Cijfers zijn cijfers over de bevolking terug te vinden. Drukke buurten/straten vinden, wordt gedaan aan de hand Google Streetview en veronderstellingen. Daarnaast kunnen er ook observaties in de buurten zelf gedaan worden en kan men eventueel bewoners aanspreken om te weten waar de drukke punten in de stad zijn.

6. Maak een samenvatting per buurt en vergelijk de verschillende factoren.

7. Maak een top 3 en beargumenteer.

I-change model

Om ook hier een antwoord te kunnen bieden op onze hoofdvraag, namelijk: “Hoe kunnen we mensen laten participeren om de fijnstofproblematiek tegen te gaan?” gaan we het hier verder theoretisch bespreken, maar eerder gericht op de gedragsverandering. Het I-change model is een model die het proces naar gedragsverandering bespreekt. Bij de I-change model staat de intentie centraal. Het is niet altijd zo dat individuen met een sterke intentie om een gedrag te stellen, ook altijd dat gedrag zullen stellen. Om een algemene schets te maken van hoe dit gedaan kan worden, wordt het I-change model gebruikt. Dit model geeft een alomvattend beeld, zo wordt het visueel duidelijker.

Allereerst zijn er de voorbestemde factoren, dit zijn ‘voorbestemde’ factoren. Deze variabelen beïnvloeden het gedrag indirect, denk maar aan biologische factoren (vb. geslacht) en sociaal-culturele factoren (vb. leeftijd, opleiding) (Steenhaut, 2017). Ecologische- of omgevingsdeterminanten zijn factoren die buiten de persoon liggen die het gedrag van die persoon beïnvloeden.

Sensibilisering of bewustwording

Het bekomen van bewustwording van het probleem is een essentieel element in dit project. Om bewustwording te bekomen, zal er via het participatieproject gebruik gemaakt worden van verschillende informatie-overdrachtstechnieken. Door de burgers te informeren over de problematiek van fijnstof wordt er gestreefd naar sensibilisering. Zo zijn er de workshops, lezingen, mini-expo… die ideale gelegenheden vormen om mensen te informeren over de consequenties van fijnstof bijvoorbeeld. Het is hierbij belangrijk dat wordt stilgestaan bij hoe mensen omgaan met nieuwe informatie (Craeynest, 2018). Er zijn drie motivatiefactoren:

  • Attitude

De attitude van iemand is de houding die die persoon heeft tegenover bepaalde onderwerpen, dit kan een positieve of negatieve houding zijn. Iemands attitude is gebaseerd op (irrationele) overtuigingen. Het eten van een met fijnstof geglazuurd bord kan bepaalde gevoelens teweegbrengen. Iemand kan dit bijvoorbeeld vies vinden en iemand anders kan dit interessant vinden (affectieve). Bijvoorbeeld het werk en de moeite van de fijnstofoogst, samen met het besef dat het fijnstof dat op het bord ligt ook terecht komt (in andere vorm) in het lichaam door de luchtvervuiling (cognitieve). Het conatieve zou dan de gedragsverandering zijn van de mensen.

  • Sociale invloed

Er kan sociale steun ontstaan wanneer mensen merken dat ze niet de enigen zijn die verandering willen brengen. Meningen van anderen kunnen dus impact hebben op ons gedrag. Wat je denkt dat anderen van je verwachten, speelt ook een rol. Mensen kunnen gevoelens van spijt of schuld ervaren indien ze een bepaald gedrag niet uitvoeren wat anderen wel van hen verwachten. Mensen passen zich aan, aan het gedrag van anderen (modeling). Hier kan peer-to-peer learning op toegepast worden.

  • Eigen-effectiviteit

Eigen-effectiviteit is de inschatting van het eigen kunnen. Als men denkt iets niet te kunnen, zal het waarschijnlijk niet lukken. Zo kunnen burgers zichzelf niet in staat achten om gedragsaanpassingen langdurig te kunnen volhouden, omdat ze het bijvoorbeeld niet gewoon zijn. Iemand aanraden om minder met de auto en meer met de fiets te rijden klinkt gemakkelijk. Echter voor sommigen is de auto misschien het meest gebruikte vervoermiddel om naar het werk te rijden, aangezien het bijvoorbeeld op een verre afstand gelegen is. De gedragsintentie is de mate waarin iemand van plan is om een bepaald gedrag uit te voeren, maar ook om hun huidige gedrag te behouden. Indien je nog geen gedragsintentie hebt, bevind je je in het begin, nl. in de precontemplatiefase (Precontemplatie). Dit kan voorkomen door gebrek aan kennis en/of motivatie. Indien je nadenkt over het nieuwe gedrag, maar nog niet onderneemt, bevind je je in de contemplatiefase (Contemplatie). In deze fase heeft de persoon nog te veel oog voor de nadelen van de gedragsverandering. Indien er al plannen worden gemaakt voor het nieuwe gedrag, spreken we van preparatie (Preparatie). Hier kan er samen gezocht worden naar mogelijke hindernissen en hoe deze kunnen opgelost worden. Er moet rekening mee gehouden worden dat mensen met een sterke intentie voor een gedrag te stellen, niet altijd dat gedrag daadwerkelijk zullen stellen (Steenhaut, 2017).

Mini-expo

Voor onze bachelorproef mochten we meehelpen om een mini-expo te ontwikkelen. Deze mini-expo zal worden ingezet bij openbare evenementen zoals de Autoloze Zondag, maar wordt ook meegenomen op de oogstmomenten. De mini-expo moet aan drie voorwaarden voldoen: interactieve elementen hebben, moet mobiel zijn en transformeerbaar zijn.

Wat is een mini-expo?

Een tentoonstelling of een expo is een communicatiemiddel dat informatie, gevoelens en ideeën overdraagt aan grote groepen over de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving. Dit is een middel dat gericht is op grote groepen. Deze groepen kunnen niet direct reageren op de inhoud van de tentoonstelling, maar kunnen bijvoorbeeld wel om extra uitleg vragen. Bij de keuze voor een tentoonstelling als geschikt communicatiemiddel zijn de speciale eigenschappen van een expo/tentoonstelling van essentieel belang. Voorwerpen staan centraal in een tentoonstelling. Een tentoonstelling toont voorwerpen in hun ruimtelijke vorm. Ook andere dimensies zoals geur, klank en smaak komen soms aan bod. Ten slotte kan een waaier aan technische middelen gebruikt worden om een verhaal te vertellen (videomateriaal, maquettes, geluidsmateriaal, etc.) (Van Straaten, 2005). Een mini-expo is dus een tentoonstelling, zoals hierboven beschreven, maar op een kleinere schaal.

Doelstelling mini-expo?

Het doel van de mini-expo is vooreerst een communicatiemiddel te zijn op openbare evenementen zoals Autoloze Zondag. Met de mini-expo wordt het project SerVies bekend gemaakt en wordt de fijnstofproblematiek gesignaleerd aan het breder publiek. Het tweede doel is informeren en motiveren. Wanneer de mini-expo wordt meegenomen naar oogstmomenten heeft het als doel om de reeds bereikte mensen verder te informeren. Hier wordt de focus gelegd op de inhoud van de fijnstofproblematiek met als bijkomend doel om mensen bewust te maken over de problematiek (sensibiliseren) en om duidelijk te maken dat ze er ook iets aan kunnen doen. De mini-expo wil dus niet enkel informeren, wat het hoofddoel is, maar ook aanzetten tot gedragsverandering.

Hoe kan de mini-expo eruitzien?

De mini-expo kan een bakfiets zijn omdat dit mobiel is. Beide zijkanten van de bakfiets krijgen een thema gelinkt aan de uitstoot van fijnstof. Dit zorgt er ook voor dat de bakfiets niet eentonig blijft. De ene kant gaat over emission/uitstoot. Aan de hand van een aantal afbeeldingen (auto, sigaret, industrie, kachel) worden er enkele voorbeelden gegeven van zaken die fijnstof uitstoten. De andere kant gaat over solutions/oplossingen: wat je kan doen om fijnstof te verminderen. Dit gebeurt ook a.d.h.v. een aantal afbeeldingen (een trui, de bus, een persoon die wandelt en een fiets). De voorkant en de bovenkant vormen de voorkant van een fijnstofmeter, een scherm en een aantal knoppen vormen deze. Met een houten plaat wordt de bovenkant toe gemaakt zodat deze kan gebruikt worden voor de tentoonstelling.

Om de bakfiets nog meer vorm te geven kunnen de knoppen van de fijnstofmeter met houtblokken bevestigd worden op de bakfiets. Het logo van Servies komt er ook op om duidelijk de link te leggen met het project.

Activiteiten

In de mini-expo komt er een bevraging. Op een bord staat er een vraag met daarnaast kistjes met antwoorden. Er kan geantwoord worden door een pingpongballetje of iets dergelijks te leggen in de kist met volgens de persoon het juiste/meest passend antwoord.

Naast de vragen is er ook een kleine interactieve opdracht aanwezig op de mini-expo. Een voorbeeld hiervan is een plank waarop een vraag staat waarop iedereen kan antwoorden door hun antwoorden op post-its te schrijven en op het bord te plakken. Hier kan de voorkennis over het thema fijnstof al wat getest worden.

Peer-to-peer learning
Betekenis

Peers zijn mensen die eigenschappen met elkaar delen. Dit kan gaan over leeftijd, geslacht, cultuur, woonplaats… Aan de hand van peer-to-peer learning leer je spontaan van elkaar. Er zijn verschillende vormen daarvan. Tijdens het oogstmoment zal er bijvoorbeeld een combinatie van peer-to-peer learning en peer education zijn. Peer-to-peer learning gaat over het feit dat de mensen elkaar iets aanleren of bijleren. Zoals informatie doorgeven over ervaringen of kennis over een bepaald onderwerp. Tijdens de oogstmomenten van fijnstof wordt deze wederzijdse beïnvloeding beoogd. Een tweede vorm is peer education. Hierbij is het de bedoeling om kennis, attitudes en gedrag eenzijdig te beïnvloeden. Een al meer ervaren persoon deelt relevante informatie over een onderwerp. Mensen, die eigenschappen met elkaar delen, aanvaarden dan ook sneller informatie van een andere medemens dan van een iemand die geen gemeenschappelijke eigenschappen deelt (Manders, Metz & Sonneveld, 2017) (Smits Van Waesberghe & De Winter-Koçak, 2018).

Het is de bedoeling dat de deelnemers tijdens het oogsten van fijnstof met elkaar aan de praat gaan en zo informatie uitwisselen. Hopelijk beïnvloeden ze op die manier op een positieve manier elkaars attitude en gedrag en leren de deelnemers iets bij. Tijdens het oogsten zal er ook een fijnstofambassadeur aanwezig zijn. De fijnstofambassadeur kunnen we zien als de ‘peer educator’. Deze persoon zal eerder eenzijdig beïnvloeden doordat hij/zij info zal geven over fijnstof (oogsten).

Beïnvloeden

Deelnemers zullen elkaar en passanten (mensen die voorbijwandelen) beïnvloeden. Deze passanten zullen zich misschien afvragen wat er gebeurt en vragen aan de deelnemers wat ze doen. Een deelnemer of de fijnstofambassadeur kan hierop antwoorden en zo leren passanten ook bij over het project en algemeen over fijnstof. Er zijn twee soorten beïnvloeding: informationele en normatieve. Informationele beïnvloeding gaat over het aanvaarden van de informatie die je krijgt en je zal je handelen ernaar richten. Normatieve beïnvloeding resulteert in het conformeren aan de verwachtingen van een ander. Bijvoorbeeld om iemands normen te veranderen, kan je een vriendengroep of een vereniging erbij betrekken, want zij beïnvloeden elkaars normen en waarden. Dit is in een positieve context, maar het kan ook gebeuren in een negatieve context. Het is negatief wanneer je het gevoel hebt dat je afwijkt en misschien zelf wordt bestraft, eventueel door uitsluiting (Vranken, Henderickx, & Van Hootegem, 2017).

Bij het peer-to-peer learning zal het de bedoeling zijn om informationeel te beïnvloeden. De deelnemers zien elkaar als peers en aanvaarden de informatie die ze van elkaar krijgen. Er zal misschien tevens een deel positieve normatieve beïnvloeding zijn.

Voordelen

Doordat de peers een soortgelijke achtergrond hebben, zijn ze sneller geneigd om de suggesties en argumenten van deze personen aan te nemen. Het wordt daarom gezien als een goede methode om gedragsverandering teweeg te brengen. In het I-change model valt peer-to-peer learning deels onder het motivationele luik. Dit kan worden gelinkt aan de drie motivatiefactoren. Sociale invloed kan hier inhouden dat de peers elkaar steunen. Door de ervaringen en kennis van een peer te horen kan dit invloed hebben op het gedrag van de persoon. Dit gaat hand in hand met eigen-effectiviteit. Doordat de peers iets kunnen kan de persoon denken dat dit ook in haar of zijn eigen kunnen ligt. Dit versterkt de eigen-effectiviteit. De cognitieve component van attitude wordt hierdoor gevoed. Door informatie te verwerven van peers wordt deze informatie beter onthouden en misschien toegepast. Dit kan zorgen voor verandering in de attitude van een persoon (Manders, Metz & Sonneveld, 2017) (Smits Van Waesberghe & De Winter-Koçak, 2018).

REFERENTIES

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s