(120) Historische reflectie is geen spielerei

AUTEUR: Jan Potters

THEMA: Filosofie, Wetenschap, Gezondheidszorg

In een recente opinie-bijdrage in de Standaard argumenteert Bert De Munck, op basis van de Foucauldiaanse notie van biomacht, dat er ruimte moet zijn voor kritische reflectie met betrekking tot de manier waarop wetenschappelijke kennis wordt ingezet in de strijd tegen het coronavirus. Stefaan Blancke, Patrick Loobuyck en Maarten Boudry antwoorden hierop dat De Munck, door gebruik te maken van Foucault’s begrippenkader, de deur openzet voor een paranoïde relativisme met betrekking tot wetenschap dat op dit moment, nu we ons midden in een urgente en onzekere situatie bevinden, ongepast en gevaarlijk is. In dit stuk beargumenteer ik dat de onzekerheid en urgentie van de situatie ons er net toe zouden moeten nopen om kritisch te denken, zonder dat dit ons vertrouwen in de wetenschap hoeft te ondermijnen, en dat Foucault’s denken hierdoor zeer welgekomen is, en zelfs kan bijdragen aan wat Blancke, Loobuyck en Boudry omschrijven als de manier waarop wetenschap vooruitgang kan brengen.

In zijn stuk van vrijdag 27/03 beargumenteert Bert De Munck dat er, zeker op langere termijn, kritische reflectie nodig is met betrekking tot de rol die wetenschapers spelen in de manier waarop samenlevingen een antwoord proberen te bieden op de coronacrisis. Er worden op dit moment keuzes gemaakt die fundamenteel ingrijpen in de manier waarop we samenleven, en deze keuzes worden vaak verantwoord vanuit een wetenschappelijke logica waarbij preventie en indijking voorop staan. Het is positief dat we, op dit moment, vertrouwen stellen in de wetenschap, zo stelt De Munck, maar het is even goed nodig om op langere termijn kritisch te reflecteren over deze keuzes en de rol die de wetenschap, in de vorm van de viroloog, hierin speelt, aangezien deze keuzes niet noodzakelijk de enige optie zijn. Een goed aangrijpingspunt voor zulke reflectie, zo stelt De Munck, vormt het begrip ‘biomacht’, dat eerst werd geconceptualiseerd door Michel Foucault, omdat het ons toelaat om te begrijpen hoe wetenschappelijke kennis niet los gezien kan worden van machtsverhoudingen en de bijhorende stigmatisering en uitsluiting. De Munck vat het Foucauldiaanse denken samen met de volgende uitspraak van Foucault: “Het komt er niet zozeer op aan om de waarheid te bevrijden van macht, maar om de waarheid zelf als een vorm van macht te zien.”

In hun antwoord op De Munck van maandag 30/03 beargumenteren Stefaan Blancke, Patrick Loobuyck en Maarten Boudry dat De Munck onnodig het vertrouwen in de democartie en de wetenschap ondermijnt door zich te beroepen op het Foucauldiaanse begrip ‘biomacht’ . De strijd tegen het coronavirus, zo stellen ze, moet niet begrepen  worden in termen van een technocratische machtspositie van waaruit wetenschappers hun wil opleggen aan beleidsmakers, maar eerder in termen van een democratische ruimte waarin, door constructieve kritiek en bevraging tussen wetenschappers en beleidsmakers, inzichten in hoe we ons best wapenen tegen het virus kunnen groeien en bijgesteld worden. Het Foucauldiaanse denken, zo concluderen ze, resulteert enkel maar in een paranoïde relativisme met betrekking tot wetenschap dat op dit moment ongepast en gevaarlijk is.

In hun antwoord op De Munck gaan Blancke, Loobuyck en Boudry echter uit van een te simplistische voorstelling van het denken van Foucault omtrent wetenschap, macht en kennis. Zij stellen het namelijk voor alsof de notie van biomacht impliceert dat wetenschappers niet streven naar waarheid en kennis, maar enkel naar macht over mensen door middel van hun cijfers en grafieken. Deze voorstelling gaat echter uit van een dichotomie tussen macht en kennis die Foucault in zijn denken net problematiseert, zoals de stelling van Foucault waarmee De Munck zijn stuk afsluit duidelijk illustreert. Foucault beweert niet dat wetenschappers enkel in macht geïnteresseerd zijn en niet in kennis. Hij stelt wel dat de manier waarop specifieke wetenschappelijke kennisdomeinen tot stand komen, enkel kan begrepen worden indien we tegelijkertijd oog hebben voor de manier waarop het gedrag van de objecten in deze kennisdomeinen wordt vormgegeven en gedisciplineerd, en dat hierdoor de kennis die een succesvol model van een bepaald domein ons verschaft enkel kan begrepen worden indien we ook deze disciplinerende factor in rekening nemen.

Laten we dit even concreet maken door middel van het SIR-model dat gebruikt wordt in de virologie om de verspreiding van epidemieën te bestuderen en te voorspellen (zie het artikel in De Standaard van Dries De Smet ‘Wat kunnen de wiskundige modellen echt voorspellen’ van zaterdag 28/03). Dit model maakt een onderverdeling binnen de bevolking tussen mensen die vatbaar zijn voor de ziekte, mensen die besmettelijk zijn en mensen die genezen of gestorven zijn. De bruikbaarheid van het model voor wetenschappelijke voorspellingen en politiek beleid berust dus op de aanname dat er zulk een onderverdeling gemaakt kan worden. De huidige situatie is er één van grote onzekerheid: over het precieze aantal besmettingen, aangezien er te weinig getest wordt; over het onderscheid tussen vatbare en genezen mensen, omdat we niet weten of mensen die besmet geweest zijn ook werkelijk immuun zijn; en over waar we ons bevinden op de curve, doordat er een zekere vertraging zit op de data die we binnenkrijgen uit ziekenhuizen en de huidige verspreiding van het virus. Maar de huidige situatie is er ook één van grote urgentie: we moeten nu handelen om verdere verspreiding zo veel als mogelijk te voorkomen. Zodoende zitten we in een situatie waarin dit model de enige betrouwbare leidraad is die we hebben, en daardoor kunnen we niet anders dan er naar handelen. Zoals De Munck het stelt: het is goed en nodig dat we nu vertrouwen op de wetenschap.

Gegeven de grote onzekerheid van de situatie betekent dit echter ook dat, willen we dat het model bruikbaar is, we er voor moeten zorgen dat deze onderscheiden tussen vatbare mensen, besmettelijke mensen en genezen/gestorven mensen, zo goed als mogelijk gerespecteerd worden in de samenleving. Enkel indien de werkelijkheid min of meer overeenkomt met de manier waarop het model ze beschrijft kunnen we het model gebruiken om voorspellingen te doen. Op deze manier zien we dat het model, ook al is het slechts in zeer algemene termen, wel degelijk richtlijnen geeft over de maatregelen die genomen moeten worden: we moeten er bijvoorbeeld voor zorgen dat mensen die vatbaar zijn zo veel als mogelijk worden gescheiden van zij die besmet zijn, en we moeten nagaan dat zij die genezen zijn ook echt niet meer besmettelijk zijn. Enkel indien deze richtlijnen gevolgd worden kunnen we er van uitgaan dat het model ons een middel geeft om de verspreiding in te dijken.

Zoals Blancke, Loobuyck en Boudry zelf aangeven, kunnen we uit zulk een wetenschappelijk model niet afleiden welke specifieke beleidsmaatregelen nodig zijn, en hoe we kosten en baten moeten afwegen. Het is echter exact met betrekking tot dit punt dat het Foucauldiaanse denken ons meer inzicht kan bieden. Indien we de bruikbaarheid van een model zoals het SIR-model in Foucauldiaanse termen willen bestuderen, dan gaan we kijken welke disciplinaire-institutionele keuzes, technieken en strategieën gebruikt worden om er voor te zorgen dat de realiteit die het model vooronderstelt, namelijk een onderverdeling in de bevolking tussen vatbare, besmettelijke, en genezen/gestorven mensen, tot stand gebracht worden binnen de bevolking. Hoe worden ziekenhuizen, woonzorgcentra, scholen, supermarkten, parken, pleinen, …, ingericht zodat de onderverdeling waar het model op berust zoveel als mogelijk gerealiseerd kan worden? Welke bevoegdheden geven we aan artsen, agenten, ambtenaren, werkgevers, …, om er op toe te zien dat deze onderverdeling wordt nageleefd? Welke mechanismen worden gebruikt om mensen aan te moedigen om zelf deze onderverdeling tot stand te brengen? Hoe worden de data die nodig zijn voor het implementeren en evalueren van het onderscheid verzameld, geanalyseerd, en vergeleken?

Het zijn dit soort van keuzes en technieken die van een model zoals het SIR-model een vorm van biomacht kunnen maken: door zulke verregaande ingrepen in het persoonlijke en gedeelde leven van mensen wordt de strikte onderverdeling die de bruikbaarheid van het model vereist tot stand gebracht, en zodoende kan het model ons inderdaad voorspelbaarheid en inzicht bieden. Op deze manier zijn macht en kennis in domeinen zoals virologie onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Indien we Foucault’s werk op deze manier lezen en gebruiken, kan het net een constructieve bijdrage leveren aan wat Blancke, Loobuyck en Boudry omschrijven als de kern van het wetenschappelijke bedrijf, namelijk dat het ons toelaat om vooruitgang te boeken door kritisch-constructieve bevraging. Het stelt ons in staat, meer bepaald, om te bestuderen hoe we, als maatschappij, vorm hebben gegeven aan de wetenschappelijke kennis die vervat zit in bijvoorbeeld het SIR-model: welke keuzes hebben we gemaakt, welke technieken en strategieën hebben we gebruikt? Specifiek voor situaties zoals diegene die we nu doormaken kan een Foucauldiaans historisch perspectief bovendien zeer nuttig zijn. Door de urgentie en de onzekerheid die de huidige situatie karakteriseren, vallen we terug, zoals De Munck aantoont, op wetenschappelijke logica’s zoals quarantaine die in het verleden hun nut hebben bewezen. Deze logica’s kunnen echter ook bepaalde negatieve effecten tot stand brengen, zoals al is aangehaald door bijvoorbeeld wetenschappers die er op wijzen dat de huidige respons kan leiden tot een vergroting van de leerachterstand voor leerlingen die, door hun sociaal-cultureel-economische situatie, niet in staat zijn om van thuis uit met volle aandacht online lessen te volgen. Hierop wijzen is niet gelijk aan het in twijfel trekken van het nut van de huidige maatregelen met betrekking tot het bestrijden van de verspreiding van het virus. Het moet eerder gezien worden als een uitnodiging om kritisch na te denken over hoe we, gegeven de onzekere en urgente situatie waarin we ons bevinden, ruimte kunnen maken om zulke negatieve effecten tegen te gaan. Stellen dat zulke kritische en constructieve reflectie nodig is, ook in momenten van urgentie en onzekerheid, moet niet gezien worden als het in twijfel trekken van de wetenschap, en het is zeker geen staaltje van paranoïde en ongepast relativisme.

Een reactie op “(120) Historische reflectie is geen spielerei

  1. Hie geloofwaardig zijn opinies van Loobuyck en Boudry die Pinkeriaanse geloofsadepten zijn en alles wat met postmodernisme te maken heeft als larie en apekool beschouwen? Filosofen die zo ingenomen zijn door Verlichting, wetenschappen en vooruitgang dat het kritische denken volledig afvoeren of eerder blind zijn door hun loyaliteit aan het Modernisme. Die niet inzien dat wetenschap en vooruitgang ambivalent is en dat waarheden gebonden zijn aan contexten. Het toont eerder intellectuele armoede of is het onwil, als debatteren voor eigen winkel?

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s