(80) Waarom pessimisme ons weinig leert

Van kritiek…

AUTEUR: Thomas Rotthier

THEMA: Filosofie

Er is de laatste jaren iets veranderd in de media. Naast de gebruikelijke stroom van slecht nieuws, verschijnen er regelmatig ook artikels over de Nieuwe Optimisten die stellen dat ‘we’ het nog nooit zo goed hebben gehad. Op vlak van welvaart, gezondheid, veiligheid en vrije tijd heeft de wereld de voorbije 60 jaar een revolutie doorgemaakt.

Vorige week vroeg Ignaas Devisch zich af of mensen wel gelukkiger worden van al die ‘gemiddelde’ verbeteringen. De miljoenen kinderen die nog steeds in extreme armoede leven en niet naar school kunnen, hebben niks aan hoopgevende curves en statistieken. Ook de gele hesjes zal je er niet direct mee opbeuren.

Bovendien zijn er ook zorgwekkende tendensen. Met het klimaat en de biodiversiteit gaat het de verkeerde kant op. Devisch stoort zich om die redenen aan het vooruitgangsbetoog van Steven Pinker, de beroemde cognitieve psycholoog met zijn krulletjes. Hij vergelijkt Pinkers vooruitgangsoptimisme met de uitspraak van de Verlichtingsfilosoof Leibniz dat we ‘in de best mogelijke van alle werelden’ leven.

Devisch wijst in zijn betoog terecht op het gevaar van zelfgenoegzaamheid. Te veel goed nieuws zou mensen passief kunnen maken. Toch bevat zijn analyse een aantal misvattingen die regelmatig terugkeren in het debat over vooruitgang en de principes van de verlichting.

De eerste misvatting is dat vooruitgangsdenken van het idee zou uitgaan dat we in een van de best mogelijke werelden leven. Die vreemde opvatting van de filosoof Leibniz werd door Voltaire belachelijk gemaakt in zijn beroemde roman Candide. Denkers als Steven Pinker, Hans Rosling en Johan Norberg trappen niet in die val. Ze beseffen dat de mensheid, ondanks de vooruitgang, nog steeds met enorme problemen te kampen heeft: malaria, kernwapens en klimaatopwarming om er maar een paar te noemen. In zijn boek Verlichting Nu (2018) bespreekt Pinker die gevaren trouwens uitgebreid.

Daarmee komen we aan bij een belangrijk punt. Optimisme behelst het geloof dat de toekomst er rooskleurig(er) uitziet. Maar zoals iedereen weet zijn voorspellingen erg moeilijk, zeker als ze over de toekomst gaan. Pinker en co prediken daarom geen optimisme, maar wel possibilisme. Deze term, gelanceerd door de Zweedse gezondheidsprofessor Hans Rosling, duidt op een houding van probleemoplossend denken. Ook voor schijnbaar onoverkomelijke problemen als klimaatopwarming, schaarste van grondstoffen of eindeloze conflicten kunnen er stapsgewijs oplossingen komen. Deze anti fatalistische houding put vertrouwen uit de vooruitgang die geboekt is in het verleden.

‘Impossible is nothing’, zo wist de beroemde filosoof Mohammed Ali al. Volgens de econoom Paul Romer onderschatten mensen systematisch hoe technologische en wetenschappelijke vindingen elkaar versterken. Je moet mogelijkheden niet optellen, maar ze vermenigvuldigen.

Tegelijk is het niet zo dat vooruitgang een soort onzichtbare, historische kracht is die zich automatisch verderzet. Het is veeleer een traag en moeizaam proces, gerealiseerd door het harde werk van miljoenen gewone stervelingen zoals verpleegkundigen, loodgieters, ingenieurs, overheidspersoneel….

Een ander bezwaar van Devisch luidt dat de statistieken van Pinker vooral ‘gemiddelden’ weergeven en daarom misleidend zijn. Het lijkt er echter op dat Devisch in de ban is van het kloofinstinct. Hans Rosling wijst er in zijn boek Feitenkennis (2018) op dat mensen de wereld graag opdelen in kloven. De bekendste kloof is die tussen het rijke Westen en het arme Zuiden, tussen de haves en de have-nots. De rijke minderheid zwemt in de luxe, maar de arme meerderheid krijgt enkel de kruimels, zo is het beeld ongeveer. Als je van deze twee groepen enkel het gemiddelde zou nemen, zou je foutief kunnen afleiden dat de gemiddelde aardbewoner best wel een redelijk inkomen heeft.

Dat bezwaar zou terecht zijn, ware het niet dat dit beeld al een tijdje achterhaald is. De grootste groep in de wereld vormt een soort van ‘mondiale middenklasse’. Deze mensen verdienen tussen de 11 en 110 dollar per dag. De meesten onder hen hoeven geen honger te lijden en kunnen een voor brommer of een wasmachine sparen. Ze hebben een buffer zodat ze bij een tegenslag niet opnieuw in extreme armoede belanden.

In plaats van in kloven te denken, is het juister om de wereld op te delen in 4 levels, zoals Hans Rosling doet. Het eerste Level is dat van de extreem armen, het vierde Level is dat van de rijke aardbewoners. In Level 1 en Level 4 zitten elk ruwweg 1 miljard mensen. In level 2 en 3 zit de meerderheid: samen 5 miljard mensen. Anders gezegd: er is geen inkomenskloof meer, wat maakt dat ‘het gemiddelde inkomen’ nu veel representatiever is dan 100 jaar geleden.

Wil dit dan zeggen dat mondiale armoede geen belangrijk probleem meer is? Uiteraard niet. Veel mensen die nu in level 2 en 3 leven, leiden een zwaar en moeilijk bestaan. Vooruitgang impliceert niet dat het nu al goed is. Iets kan beter zijn, maar toch nog steeds slecht, zoals Rosling het droogjes formuleert.

Dit sluit aan bij een andere tegenwerping die Devisch maakt: ‘Wat dan met de extreem armen (de mensen op level 1)? Wat hebben die 1 miljard mensen aan de kennis dat er vroeger nog meer individuen in ellende leefden?”

Uiteraard hebben mensen die nog steeds in extreme armoede of in oorlogsgebieden leven weinig aan historische statistieken. Maar het is ook niet de bedoeling van Pinker of Rosling om deze mensen te troosten of op te beuren. Hun boodschap is in de eerste plaats gericht aan rijke, hoogopgeleide westerlingen. Het is deze groep die de meeste middelen heeft om positieve verandering in gang te zetten. Helaas heerst bij velen het vooroordeel dat extreme armoede, ziekte en honger onoplosbare problemen zijn. Door mensen van dit waanidee af te brengen, komen ze misschien terug in actie. Ze zouden zich bijvoorbeeld kunnen aansluiten bij het effectief altruïsme. Deze beweging toont op een wetenschappelijke manier aan dat donaties aan zorgvuldig gekozen goede doelenorganisaties wel degelijk helpen.

Toch, zo stelt Devisch, is te veel gejuich over vooruitgang niet goed. Het kan ons te zelfgenoegzaam en te zorgeloos maken. Een beetje pessimisme houdt ons waakzaam en stimuleert ons om dingen te verbeteren. Deze redenering lijkt hout te snijden. Neem bijvoorbeeld een aannemer die een huis moet bouwen. Een aannemer die te snel tevreden is over zijn bouwsels zal vroeg of laat een rotte balk op zijn hoofd krijgen. Liever dus een aannemer die alles driedubbel checkt. Pessimisten houden zichzelf en anderen bij de les.

Toch vertrekt Devisch vanuit een vals dilemma, namelijk het dilemma tussen pessimisme en optimisme. Eigenlijk hoeven we niet te kiezen tussen een (licht) roze bril of een (licht) donkere bril. Wat we vooral moeten nastreven is accuraatheid. Een pessimistisch ingestelde aannemer kan net zo goed verkeerd zitten omdat hij zich blindstaart op het verkeerde gevaar, waardoor hij een ander onheil niet ziet aankomen. De analogie gaat perfect op voor analisten, commentatoren en media die de publieke opinie net zo goed kunnen afleiden van grote problemen door hun eigen tunnelvisie. Zowel de aanslagen van 9/11 als de financiële crisis van 2008 waren een totale verrassing voor de wereldpers.

Als we met onze kennis de wereld willen verbeteren is alertheid voor gevaren overigens onvoldoende. Het is net zo essentieel om zaken die goed gaan grondig te bestuderen. Neem de biodiversiteit op aarde: die gaat er inderdaad op achteruit. Maar de laatste jaren hebben een heleboel diersoorten zich hersteld dankzij menselijk ingrijpen. Uit zulke goede praktijken kunnen biologen, activisten en beleidsmakers nuttige lessen trekken. Op die manier kunnen er nieuwe successen worden geboekt. Goed nieuws hoeft dus niet louter als een psychologisch opkikkertje te dienen: het kan ook een belangrijke les zijn voor de toekomst.

Uiteindelijk is dat een van de voornaamste lessen van de verlichting: het verwerven van dieper inzicht is de efficiëntste route om de wereld te verbeteren.

…naar dialoog

(suggesties en vragen ter stimulans voor verdere dialoog)

  • Is de discussie tussen optimisme en pessimisme niet eerder een pragmatische i.p.v. een epistemologische discussie? Moeten we m.a.w. niet eerder dialogeren over welke houding het beste werkt i.p.v welke ‘juist’ is?
  • Is het zinnig om te blijven discussiëren over optimisme versus pessimisme als beide teveel op generalisaties zijn gebaseerd?
  • Is er een positie mogelijk tussen optimisme en pessimisme?

 

 

2 reacties op ‘(80) Waarom pessimisme ons weinig leert

  1. Het probleem met possibilisme is dat ze dezelfde inhoudt etalleert als optimisme. En of het nu opitmisme is of possibilsime zo karakteriseren een mogelijk tot iets en geen zekerheid tot iets waardoor hett een wenselijke claim blijft en daarom irrationeel. . Trouwens zit in het geheleverhaal de beleving verscholen en het psychologisch perspectief f va deze noties wat bij filsofen wel eens vaker voorkomt. Zie mijn artikel op MIRARI.

    Like

  2. Opti- of pessimisme?
    Beide begrippen – zoals trouwens alle begrippen – zeggen op zichzelf niets. Er is niets meer dat nog zonder omkadering of context gezegd kan worden.
    Moet, kan of mag een mens opti- of pessimistisch zijn m.b.t. de toegenomen welvaart zonder zich daarmee in te schrijven in de taal en de grammatica waarin dat verhaal geschreven wordt? Immers alles groeit nu eenmaal overeenkomstig zichzelf. (Eerder had ik al geopperd dat optimisme conservatief is; de hemel van / voor de ongelovigen. Daarom ook dat optimisme eerder gepredikt wordt door economisch-liberalen dan wel door andersgezinden.)
    Of met betrekking tot gezondheid?
    Of tot schoonheid? Tot ethiek?
    Is de mens er beter van / op geworden?
    Is het – voor zo ver die bepaald zou kunnen worden – zijn prijs waard geweest?
    Of is het louter toeval dat de mens en de wereld dreigt ten onder te gaan in zijn eigen afval?

    Boeiend wordt het wanneer de vraag naar opti- of pessimisme gesteld wordt met betrekking tot de macht(en) die richting geeft aan de toekomst, die de taal en de grammatica – het discours – aanreikt en bepaalt.
    Of moeten wij de mens niet meer als uitgangspunt nemen et betrekking tot de vraag naar opti- of pessimisme?
    ons beperken tot ‘het leven’ welke vorm dat ook mag aannemen?

    Een boom wil overleven. Punt.
    In de woestijn lijkt dat moeilijker dan in leemgrond.
    Zou optimisme dan toch een luxe zijn? Of troost voor die boom in de woestijn?
    Terecht of ten onrechte, maar soms voelt het zo alsdat optimisme mij medeplichtig maakt aan deze wereld, vooral dan aan wat er verkeerd aan gaat.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s