(74) God zit tussen de oren

Van kritiek…

AUTEUR: Patrick Bailliu

THEMA: Filosofie, Sociologie, Wetenschap

OPMERKING: Dit artikel is een reactie op (72) Het schijnhuwelijk tussen geloof en rede – deel 1. en (73) Geloof en rede: twee vleugels

In het debat over religie en rede zijn al veel woorden neergeschreven. Ik heb de indruk dat het wat rommelt in het klassieke gesprek over geloof en ongeloof. Dat zien we het ook in het debat tussen Thomas Rotthier en Othman El Hammouchi. De ene weerlegt het bestaan van God en de andere beweert dan weer over redelijke argumenten voor het bestaan van God te beschikken.

Maar wat is het nu? Of wat betekent ‘gelovig zijn’ nou precies? Geloven in iets doen we allemaal. In een eerste betekenis van geloven kunnen we enkel geloven als het strookt met de waarheid, waarheid is enkel dat wat strookt met de werkelijkheid, met de feiten als bewijs. De tweede betekenis van het woord ‘geloof’ is ‘vertrouwen’. Het woord ‘vertrouwen’ lijkt te verwijzen naar iets ongrijpbaars, iets vaags. Waarom? Vertrouwen is pas daar wanneer er een verworven loyaliteit is tot stand gekomen. Zoals het vertrouwen van het kind in de ouders door de zorg die de ouders bieden aan het kind. Gezien God niet fysiek en feitelijk aanwezig kan zijn, kan er ook geen vertrouwen opgebouwd worden, want er is geen directe relatie. Maar laat me er even enkel filosofen bijhalen: Kierkegaard en Kant.

Kierkegaard over God

Kierkegaard laat geen enkele ruimte voor een rationele onderbouwing van de these dat God bestaat. Het aanvaarden van God is bij hem een strikt persoonlijke keuze, een ‘sprong in het absurde’, waar ons verstand niet aan te pas komt. Geloof kan nooit vanuit de rede worden gevonden omdat het louter een zaak is van subjectieve innerlijke hartstocht. M.a.w. het uitwerken van redelijke argumenten voor het bestaan van God kan gezien worden als één van de manieren waarop iemand persoonlijk uitdrukking geeft aan zijn of haar al bestaande religieuze subjectiviteit. Het gaat uiteindelijk om het religieuze leven en niet om de rationele legitimatie ervan. Rationele rechtvaardiging van theïsme is nooit een noodzakelijke voorwaarde voor het geloofsleven en bovendien volstrekt zielloos indien zij niet rechtstreeks ontspringt aan het levend geloof zelf, aan de onmiddellijk gevoelde zekerheid in het hart, los van welk rationeel argument dan ook. Daarom noemde Kierkgaard het mooi a leap of faith.

Kant over God

Kant ligt in de lijn van Kierkegaard, in de zin dat ons weten zich beperkt tot onze zintuiglijke waarneming. Kennis ontstaat door het waarnemen van de werkelijkheid in tijd en ruimte. Die waarneming levert kennis op die we met ons verstand kunnen duiden door ordening in categorieën en begrippen. Kennis ontstaat dus door ervaringen en door de ordening van die ervaringen. Kant maakt daarbij een onderscheid tussen het ‘verstand’ (het denken) en het ‘ding an sich’ (de werkelijkheid). De rede (het verstand) is bij Kant de basis van kennis, omdat de waarneming of de werkelijkheid eerst altijd nog door het verstand geïnterpreteerd moeten worden om tot kennis te komen. Wanneer we dan de vraag stellen ‘Hoe kunnen wij God kennen?’ dan kom je er al snel achter dat dit een vraag is die je – vanuit Kant’s optiek – niet kunt beantwoorden. Sterker nog: Kant zou zeggen dat je God helemaal niet kunt kennen of God is volgens Kants criteria geen werkelijkheid en niet waarneembaar. Volgens Kant is een zogenaamd godsbewijs volgens de zuivere rede onmogelijk. Kant beschouwt God als een idee, je kan het wel denken, maar het denken is steeds ook een interpretatie van een interpretatie. M.a.w. je moet God dus wel als een God veronderstellen.

Kant ziet geen redelijke argumenten voor God net zoals Kierkegaard. God is een persoonlijke uitdrukking van religieuze subjectiviteit, een sprong in het geloof, terwijl Kant het heeft over de veronderstellingen, een interpretatie.

Maar laat ik er even een derde speler bijhalen, een meer hedendaagse en wetenschappelijke speler, de neurologie.

Het Goddelijke brein

De stelling gaat als volgt: “Religiositeit is geen product van atavistische angst en transcendente ervaringen zijn geen illusie van halfgare fanaten. Religiositeit is daarentegen ingebakken in de biologie van de menselijke hersenen. Terwijl gelovigen daarin een bewijs zien van het bestaan van het goddelijke, loven wetenschappers de studie net voor het tegendeel: god zit niet in de hemel, maar tussen de oren.

In hun boek Why God Won’t Go Away denken de medische wetenschappers Andrew Newberg and Eugene d’Aquili een antwoord te hebben gevonden op het godsvraagstuk. Newberg, een assistent-professor radiologie en d’Aquili, een professor psychologie, onderzochten voor dit boek zes jaar lang de fysiologie van de hersenen. Met radioactieve kleuren die activiteitclusters traceren in het brein verzamelden ze gegevens van biddende rooms-katholieke nonnen en mediterende Tibetaanse boeddhisten. De beelden die ze registreerden, werden gemeten op het toppunt van de religieuze ervaring. Dachten de gelovigen dat ze op dat moment in contact stonden met hun diepste zelf en de rest van de kosmos, de spectcamera (single photon emission computed tomography) liet iets anders zien: een ongewone activiteit in de hersenen.

In de neuropsychologische analyse blijkt dat sommige delen van de hersenen die verantwoordelijk zijn voor het bepalen van de grens tussen het ik en de wereld dramatisch veranderen tijdens een diepe spirituele ervaring. Hersenscans tonen aan dat het zelfgevoel van gelovigen helemaal verdwijnt of oneindig groot wordt. Ze ervaren een gevoel van oneindige ruimte en eeuwigheid of van een tijd- en ruimteloze leegte. De gevoelens die al millennia omschreven worden door gelovige of mediterende mensen. Het afsluiten van zintuiglijke informatie berooft dat deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor de oriëntatie van het individu, van de nodige input. Daardoor valt de grens tussen het zelf en de wereld weg.

De wetenschappers ontdekten ook dat er in de cerebrale cortex verschillende graden bestaan van dat zelfloze, ruimteloze en tijdloze gevoel, een spectrum waarin gelovigen zich verder kunnen begeven. Op het einde ervan situeren Newberg en d’Aquili een toestand van pure geest die ze het absolute unitary being (absolute eenheidszijn) noemen.

Alle wereldreligies vinden hun oorsprong in die mentale toestand, veroorzaakt in een deel van het menselijke brein. Daarom hebben religies zoveel gemeenschappelijke kenmerken. De verschillen worden veroorzaakt door cultureel bepaalde interpretaties van die toestand. Dachten onderzoekers tot nog toe dat religie een cognitief proces is, gebaseerd op angst en veroorzaakt door een verkeerde logica en foute conclusies, dan beweren Newberg en d’Aquili iets anders. “De religieuze toestand wordt door de hersenen gevonden, niet geschapen.”

Zo wordt er gesproken over de god spot. Newberg en d’Aquili worden ook bijgestaan door bevindingen van het Amerikaanse National Institute of Neurological Disorders and Stroke in Bethesda. Daar hebben ze namelijk vastgesteld dat onze hersenen zich hebben ontwikkeld om gevoelig te zijn en open te staan voor elke vorm van geloof die de kans op overleving van onze soort vergroot. En dat verklaart waarom het bovennatuurlijke in de evolutie van de mens zo’n grote en wijdverspreide rol heeft gespeeld. Religieuze overtuiging en gedrag zijn een kenmerk van het menselijk leven dat in alle culturen wordt aangetroffen en waarvan in het dierenrijk geen equivalent wordt aangetroffen”, zegt onderzoeksleider professor Jordan Grafman. “Wat uniek is in onze studie, is dat we aantonen dat specifieke onderdelen van godsgeloof worden bepaald door al bekende netwerken in de hersenen. Dat zet psychologische theorieën kracht bij die stellen dat godsdienst kadert in de psycho-cognitieve functies die een rode draad vormen bij onze evolutie.”

In zijn onderzoek, waarvan de resultaten werden gepubliceerd in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences werden de hersenfuncties onderzocht van vrijwilligers die gevraagd was om na te denken over religie en morele vraagstukken. Daarvoor werden een apparaat gebruikt dat magnetische resonanties meet en de delen van de hersenen identificeert die actief zijn en energie gebruiken. Daaruit bleek dat mensen van verschillende religieuze achtergrond, en ook atheïsten trouwens, dezelfde elektrische circuits in de hersenen gebruiken: één in de frontale cortex (waarover alleen de mens beschikt) en een tweede dieper in de hersenen, die de mens gemeen heeft met apen en primaten.

“Er zit in onze hersenstructuur niets unieks dat religieuze overtuiging bepaalt”, aldus professor Grafman. “Er is niet één enkele ‘god spot’ want die zit verborgen in een aantal hersenfuncties die we allemaal dagelijks gebruiken.”

Conclusie

De neurologie lijkt Kierkegaard en Kant gelijk te geven. Ze beschouwen God niet als een extern gegeven dat redelijk kan gedacht worden, maar als een intern gegeven, ingebakken in de natuur van onze hersenen. De neurologie brengt een interessante en geloofswaardige invalshoek en naar mijn inzien, een die ik als psycholoog en filosoof kan ondersteunen door een valabele argumentatie.

De vraag is nu: hoe kan religie door deze bevindingen zijn plaats terug opeisen?

Bronnen

https://www.geloofenwetenschap.nl/index.php/opinie/item/260-is-geloof-volgens-kierkegaard-onredelijk

https://www.remonstranten.nl/wiki/geloof/immanuel-kant/

https://www.demorgen.be/wetenschap/god-zit-in-onze-hersenen-b9a40162/?referer=https://www.google.com/

…naar dialoog

(suggesties en vragen ter stimulans voor verdere dialoog)

  • Wat is het epistemologische statuut van een neurologische uitspraak?
  • Kan de neurologie een filosofische uitspraak doen over de werkelijkheid?
  • Hoe kan ‘het zelf’ gezien worden op neurologische scans?
  • Is de godservaring niet meer dan een prikkel in je hoofd?
  • Kan je met neurologie elk fenomeen afschrijven als een prikkel in je hoofd?

2 reacties op ‘(74) God zit tussen de oren

  1. Dank u voor uw reflectie. Ik heb er twee bedenkingen bij:

    1. Dat onze hersenen een rol spelen in de religieuze ervaring en cognitie brengt op zich religie niet in diskrediet, denk ik. Spelen onze hersenen geen rol in zowat alles wat ons innerlijk uitmaakt? Wel daagt die vaststelling de theologie uit om het concept van de ziel en de relatie tussen lichaam en ziel te herdenken. Wezenlijke vraag is daarbij waar ‘ik’ begin en ophoud in relatie tot mijn lichaam als biologisch organisme. Hetzelfde geldt – en nog dringender, denk ik – voor de evolutionaire verklaring van die hersenmechanismen. Andere wezenlijke vraag is hoeveel ruimte je kunt laten voor theologische herinterpretatie.

    2. Wat als God geen object is, maar de transcendente grond van onze subjectiviteit en als Hij bijgevolg alleen maar ervaarbaar is als in een spiegel, indirect dus? Zou dit de relatie tussen de onzegbare God en godsbeelden kunnen verduidelijken? In een recente voordracht raakt boeddholoog Robert Sharf die problematiek indirect aan, door te wijzen op een onvermijdelijke ‘loop’ in ons denken die het gevolg is van het feit dat we voor onszelf tegelijk subject en object zijn (https://youtu.be/QTp2snIa-cU).

    Nog een leessuggestie: het laatste nummer van Journal of Consciousness Studies gaat over zogeheten ‘altered states of consciousness’. Zeer boeiend.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s