(67) Islam en een bijzondere vorm van racisme

Van kritiek…

AUTEUR: Wim van Rooy

THEMA: Politiek, Geschiedenis en Traditie

KERN:

– Een gematigde islam bestaat niet.

– Er is te weinig aandacht voor onderzoekers die ervaring hebben met de islam.

De illusie van een gematigde islam

De makke met denken en schrijven over de islam, dat via sharia en ahadith een comprehensief en juridisch regelsysteem is dat een oplossing wil bieden voor werkelijk alles, dat zeggenschap claimt over elk gebaar of houding van de mens en dat al decennia elke dag uitentreuren in het nieuws komt, is dat niet-ingevoerde journalisten (en dat zijn de meeste) er vanuit hun westers conceptueel denken hun mening op projecteren. Die projectie gaat er dan vanuit dat de islam min of meer gelijkaardig is aan de twee andere monotheïsmen.

Inderdaad, de islam ontleende bepaalde figuren en wetten aan jodendom en christendom, maar nauwelijks ethiek. In de islam is bijvoorbeeld van wederzijdsheid geen sprake. Vanuit een westerse invalshoek kan men de islam eigenlijk niet begrijpen, en om de lieve vrede te bewaren, maakt men dan maar een onderscheid tussen islam en islamisme, een conceptueel distinguo waarvan een Arabisch auteur ooit stelde: de islam is het islamisme in rust, het islamisme is de islam in actie. Of nog anders uitgedrukt: vaak draait de islam stationair. Deze rustige islam opereert op verschillende wijzen: als volksislam, als soefi-islam in Mali bijvoorbeeld; sommige Barelvi-soefi’s in Indië of het Osmaanse rijk die een dhimmitude-politiek instaureerden. Maar op even zo vele tijdstippen wordt de islam wakker gekust en wordt hij activistisch en belligerent – zoals vandaag. Voor elke beschaving en voor elk tijdstip was dat anders, maar het globalisme heeft vandaag ook de islam aangeraakt en heeft dit systeem weer heftig geactiveerd. We zien het in bijna elk continent.

Geen enkele moslim zal zich ooit islamist noemen: hij is gewoon moslim, en dat zegt veel zo niet alles over dat boven genoemde onderscheid dat het Westen aanbrengt om zijn gemoedsrust te bewaren. Het concept gematigde islam gaat wél op voor individuele moslims maar niet voor het systeem islam dat nooit gematigd is. Het concept ‘gematigde islam’ zélf heeft veel van zijn overtuigingskracht verloren sinds het ook toegepast werd op sinistere figuren uit de Moslimbroederschap als Yusuf al-Qaradawi en Tariq Ramadan. Die sturen aan op een Europese burgeroorlog tussen moslims en niet-moslims, waarbij de gematigde moslim dan noodgedwongen een keuze moet maken.

De islam heeft het vermogen het Westen ervan te overtuigen dat zijn activisme de wraakneming is op het westerse koloniale verleden (dat minder lang duurde dan het Osmaanse imperialisme) of hij refereert aan de Kruistochten, een periode die door negentiende-eeuwse westerse oriëntalisten in herinnering werd geroepen maar die door moslims al lang vergeten was. Die kruistochten waren overigens een soort contrajihad tegen een vijand die in oorsprong hele christelijke regio’s had geïslamiseerd. Ook zijn er gedurende al die veertienhonderd eeuwen pogingen tot modernisering geweest – van de Mutazilieten, Ibn Arabi en de ‘zindiq’ (vrijdenker) Al-Rawandi, over de Tanzimatbeweging en de geschriften van Rifa’a Tahtâwi tot Nasr Abu Zeid en Malek Chebel – maar zoals men in Turkije het laatste decennium kan waarnemen, valt de islam altijd weer terug op zijn pootjes en wordt hij de orthodoxe, ‘islamitische islam’.

Diversiteit als dogma

De Joden besloten al vroeg dat hun heilige boek (Tenach) kon worden vertaald en bij de christenen was het zelfs een premisse omdat de bijbel in de vorm van het Nieuwe Testament onder inspiratie van de heilige geest opgetekend werd en er dus exegese op kon worden toegepast, juist omdat het nooit letterlijk als het woord van God moest worden begrepen. Het is echter expressis verbis verboden de koran te vertalen, al gebeurt het natuurlijk wel. Dat zegt al veel over een boek dat door anderstalige moslims in het Arabisch van buiten moet worden geleerd zonder dat men enig begrip heeft van de betekenis van de soera’s. Toch bezorgt de islam de progressief een warm gevoel en verwisselt hij zijn vroegere houding t.o.v. het christendom, dat hij via de laïciteit heftig bestreed, voor een attitude die de premoderne islam bijna tot een voorlijke religie bombardeert, vaak omdat het een collectief gevoel incarneert waarnaar het Westen, te midden van een exorbitant individualisme, wanhopig op zoek is. Paradoxaal beschouwd echter is de westerse do-gooder islamofoob, want in wezen is hij bang van de testosteron van de islam, laboreert hij aan het bekende stockholmsyndroom (het is de bijzondere en bijna perverse angst voor de beul en de afhankelijkheid van het slachtoffer voor zijn kwelgeest die ertoe leidt dat die in fine zijn belager gaat verdedigen) en blijft hij anekdotisch spreken over de gepersonaliseerde moslim, waarbij het systeem uit het zicht verdwijnt. Hij realiseert zich als deugmens ook niet dat Afghanistan vroeger boeddhistisch was, Pakistan hindoeïstisch, Iran zoroastrisch, Egypte, Turkije en Syrië christelijk. De islam beidt zijn tijd en wint op lange termijn altijd.

Hoe dan ook: de stem van de moslim komt in onze media bijna overdreven aan bod; geen enkele ‘religie’ kan op zoveel aandacht en goodwill rekenen, ondanks de vele criminele en terroristische feiten die tegenspreken dat het hier een systeem van de vrede zou betreffen. Op de marktplaats van ideeën is inzake islam de zo gegeerde diversiteit dan ook ver zoek; ook wat de semantiek betreft en haar impliciete woordcensuur is diversiteit eerder een taboe (het benoemen van problemen maakt je meteen tot een racist), hoezeer men ook elke dag met datzelfde begrip vanuit politiek correcte hoek opdringerig aan de slag gaat. Diversiteit muss sein, is het nieuwe postmoderne dogma! Binnen die dynamiek wordt de lingua tertii imperii gecreëerd, waarbij Orwell elke dag bevestigd wordt in zijn ‘waarheid is leugen’-dialectiek. Diversiteit wordt door les gens bien pensants dan wel als fetisj geproclameerd, maar het betekent alleen dat het juiste denken gedecreteerd wordt, dat wat juist is om te geloven, net zoals in communisme en fascisme.

Een islamitisch Europa: een multicultureel fiasco

De grand old man en nestor van de arabistiek en islamologie, Bernard Lewis, dit jaar op 102-jarige leeftijd gestorven, vroeg zich ooit in verband met de islam en het Westen af: ‘What went wrong?’, en hij voorspelde dat tegen het einde van de 21ste eeuw Europa islamitisch zou zijn. Denkende vanuit die boven genoemde westerse intellectuele kaders is zowel het gelijkstellen van de monotheïsmen en het ongeloof met betrekking tot een islamitisch Europa volstrekt verklaarbaar. Wat zich onder de ogen afspeelt, wordt immers zelden gezien en studies (Nikoletta Incze van het Centre for the Study of Political Islam) wijzen uit dat bij een percentage van zestien procent moslims de islamisering niet meer te stoppen is. Een voorproefje hebben we nu al want elke dag wordt er wel ergens een toegift aan de islam gedaan, waardoor op lange termijn een ander kwalitatief systeem zal ontstaan, een toestand die door bepaalde EU-coryfeeën zelfs bewust wordt nagestreefd wanneer ze de Umvolkung van Europa nastrevenswaardig vinden. Het is een bewuste bevolkingspolitiek die zal leiden tot een islamisering en afrikanisering van Europa. Bernard Lewis stelde dit al vast en het werd onlangs nog bevestigd door wiskundige en cultureel antropoloog Jan van de Beek, namelijk dat de generatie die nu geboren wordt, aan het eind van deze eeuw moslims als belangrijkste groep zal moeten ervaren, en dat voorspelt weinig goeds gezien de bloedige geschiedenis van de islam. De roman ‘Soumission’ van de Franse auteur Michel Houellebecq geeft er een voorproefje van (en natuurlijk werd hij, zoals Rushdie en zovele anderen, door de islam met de dood bedreigd). De samenhorigheid in de maatschappij, die nu al zo bedreigd wordt door de onzalige ideologie van het multiculturalisme, een op het sociaal constructivisme gebaseerde idee die alleen maar tot parallelle en gesegregeerde samenlevingen heeft geleid, zal dan zelfs niet meer bestaan, tenzij ze islamitisch is.

Het merkwaardige daarbij is, dat bij de meeste intellectuelen de idee zelfs niet meer kan postvatten dat beschavingen eindig zijn en dat Europa zich al enkele decennia aan het opknopen is met een multiculturalistisch touw, geestelijk en politiek door la trahison des clercs van de meeste intellectuelen, hun verraad aan de eigen Verlichtingsideeën, maar ook demografisch. Auteurs als Douglas Murray, Christopher Caldwell, Bruce Bawer, Thilo Sarrazin en Walter Laqueur waarschuwen ons en tonen dat er geen enkele empirische, historische of culturele evidentie is dat het multiculturalisme werkt, ze tonen aan dat het soort diversiteit dat men vandaag voorstaat geen enkele vorm van verrijking genereert en dat het eerder verstorend dan maatschappijversterkend is. De titels van hun boeken liegen er niet om. Toynbee had al gesteld dat beschavingen eerder van binnenuit dan van buitenuit aangevreten worden, door zelfmoord te plegen, en dat is precies wat vandaag gebeurt via het politiek correcte denken. De verveelde westerse intellectueel, die vroeger bijna volautomatisch communist of gauchist werd (want, zoals Czeslaw Milosz terecht opmerkt, het communisme was na de Tweede Wereldoorlog in de mode, in dat stelsel bevond zich nu eenmaal de superieure ethiek!) stelt zich vandaag in dienst van een ander totalitair systeem, de islam, dat hij via de hyperdiversiteit in de armen sluit. De zelfmoord van het Westen met zijn massahedonisme bestaat erin dat het zelfs niet meer kan zien waar het kwaad zich bevindt. Zovele jaren van vrede op het Europese continent hebben zijn angelieke denken wereldvreemd gemaakt.

Slaapwandelende media en politieke correctheid

Het is dus op het eerste gezicht bijna aannemelijk dat bijna negentig procent van de opinies in de mainstream media van de laatste tien jaar op een of andere manier de islam en alles wat daarbij hoort welwillend proberen te verklaren en vaak te verdedigen. Immers, als je door de westerse bril kijkt met alle paradigma’s van dien (kracht van de dialoog, oecumene, humanisme, tolerantie, implementatie van allerlei binnen- en buitenlandse verdragen,…), zal het in fine wel los lopen met die islam: die heeft immers niet alleen vele gezichten (de soefi’s!), maar elke cultuur  – daar gaat men vanuit een zekere hybris voetstoots vanuit  – past zich uiteindelijk wel aan de westerse, permanent zichzelf culpabiliserende cultuur aan. Bovendien worden de westerse mediadesks bemand (bevrouwd!) door mensen die zich in de eerste plaats als activisten uiten, die meestal links-liberaal, groen of rood stemmen, en die niet langer als journalisten op zoek gaan naar waarheid en feiten. Zij verkondigen de nieuwe Pravda in een postmodern kleedje. Ze zijn, wat de Franse journalist Georges Suffert ooit noemde, intellectuels en chaisse longue, never grown ups die men nog het best kan karakteriseren met de woorden van Alice Miller, de bekende psychologe van Poolse afkomst: “De collectieve vorm van absurd gedrag is zonder twijfel de gevaarlijkste omdat de absurditeit niet meer wordt gezien en als het ware als normaal wordt gesanctioneerd”.

Net voor de Eerste Wereldoorlog bestond er ook zoiets als een collectieve psychose, waarbij de Europese volkeren elkaar als slaapwandelaars de oorlog in rommelden. Wie vandaag niet wil zien hoe gevaarlijk de islam is inzake alle persoonlijke en maatschappelijke facetten, is als degene die het nazisme als een voorbijgaand fenomeen beschouwde. Niet voor niets rangschikte de bekende Duitse historicus Ernst Nolte het islamfascisme bij politieke ideologieën als communisme en nazisme. De Franse socioloog Jules Monnerot sprak over het communisme als de islam van de twintigste eeuw, al zou men dit dictum in onze nieuwe eeuw rustig kunnen omdraaien en de islam als het communisme (of het nazisme) van de eenentwintigste eeuw kunnen bestempelen. En net zoals de vergelijking tussen Auschwitz en Goelag lange tijd taboe waren, ook onder historici, zo is dat vandaag opnieuw het geval met de derde totalitaire beweging, de islam. Het is inderdaad inmiddels taboe dit stelsel te vergelijken met communisme en fascisme.

Wat met de ervaringsexperts? Een antropologische kijk op de islam

Maar laat ons terugkeren naar de bijzondere vorm van racisme die door de politiek correcte collaborateurs van de islam belichaamd wordt. Ze zetten dit systeem elke dag uit de wind terwijl aan de andere kant heel wat denkers uit de islamitische regio hun lichtzinnige geste onbegrijpelijk vinden, juist omdat ze de islam à contrecoeur hebben moeten leren kennen…

Er zijn immers heel wat trouble-fêtes die radicale kritiek leveren op het systeem islam maar die in de grandioze maskerade van het fake news nooit aan bod komen: het zijn de voornamelijk Arabische en Perzische (Iraanse) denkers die de islam in het verdomhoekje zetten (bashen!). Zij zijn ervaringsexperts, en het feit dat de witte journalist, met zijn edele denkvermogen en monopolie op ethiek, van oordeel is dat hij het beter weet dan deze experts, vooral door de islam steeds opnieuw te vergoelijken, kan als een bijzondere vorm van racisme worden beschouwd. De ivoren toren en de politiek correcte inquisitie van de gedachtepolitie weten het immers beter dan het (antropologisch gesproken) veld en dan de ervaringsexperts.

Laten we een paar ervaringsexperts uit de velen selecteren, denkers die alleen al in de titels van hun boeken hun weerzin uitspreken voor een systeem dat ze door en door kennen. Het begon bij de Engelse auteur, afkomstig uit Trinidad, V.S. Naipaul, die in 1981 de islam de wacht aanzegde met zijn reportages uit moslimlanden in ‘Among the Believers’. Hij noemt daarin de Arabieren de meest geslaagde imperialisten aller tijden. In ‘Beyond Belief’ (1997), een vervolg op ‘Among the Believers’, schrijft de scherpzinnige Naipaul dat de islam een godsdienst is die imperiale eisen stelt en die de onderworpen volkeren ertoe noopt zich af te wenden van de eigen geschiedenis, een verstoring die soms zelfs na duizend jaar nog niet is verdwenen: “De mensen ontwikkelen fantasieën over wie en wat ze zijn; en in de islam bekeerde landen vindt men ook een element van neurose en nihilisme. Die landen kunnen heel gemakkelijk tot het kookpunt gebracht worden”. Dat zien we vandaag bijna elke dag op tv, wanneer hysterische mensenmassa’s weer maar eens hun haat ten opzichte van het Westen uitschreeuwen.

Er zijn vandaag vele Naipauls. De Egyptische criticus Hamed Abdel-Samad, die in ‘Der islamische Fascismus’ (2014) de veertien oerkenmerken van het fascisme, zoals die door Umberto Eco werden opgesteld, één-op-één op de islam legt. De Syrische dichter Adonis (steevast genomineerd voor de Nobelprijs Literatuur) spreekt in zijn interview met Houria Abdelouahed (2015) voortdurend over de tweeling violence et islam; daarbij verwijst hij niet alleen naar Malraux, die al vroeg in de jaren vijftig op het gevaar van de islam wees, maar zegt hij ook uitdrukkelijk dat er geen gematigde en extreme islam bestaat, maar slechts één islam. In de schoot van de orthodoxe (en dus jihadistische en supremacistische) islam zal men immers geen andere en softere islam vinden, een ideetje dat het Westen graag riedelt omdat het past in zijn oecumenische denken.

De afvallige Pakistaan Ibn Warraq laat apostaten uit alle windrichtingen aan het woord en schrijft niet zonder reden onder schuilnaam. Afvalligen mogen immers worden gedood. Er is de jonge Fransman Majid Oukacha, gepokt en gemazeld in de islam, die Frankrijk wil de-islamiseren en die in ‘Il était une fois, l’islam…’ (2015) de koran woord voor woord en zin voor zin exhaustief analyseert en fileert. Zijn bevindingen zouden het politiek correcte deel der natie tot groot voordeel kunnen strekken, maar in hun verwaande en zogezegde antiracisme dat een nieuw racisme impliceert, zijn de missionarissen van de pensée unique ervan overtuigd dat ze een denkvoorsprong hebben op de mensen bij wie het gezond verstand intact is gebleven. Hier vallen me de woorden van Schopenhauer te binnen: “Want in de universiteit vind je meer dwaasheden dan in de fabriek. Wij leren namelijk eerst de begrippen en doen pas dan de waarnemingen op. Achteraf moeten dan alle oordelen die het gevolg zijn van de verkeerde toepassing van begrippen door een lange ervaring worden gecorrigeerd. Dat lukt zelden helemaal. Daarom hebben zo weinig geleerden het gezonde verstand dat volkomen ongeschoolde mensen dikwijls hebben”.

De Syriër Bassam Tibi haalt de invloed van de Indiase fundamentalist al-Maudoudi aan (hij stierf in 1979, maar liet zich wel medisch behandelen in de VS…) op de Engelse moslims (het is leerstof in de islamitische scholen) en diens citaat: “Waar democratie heerst, kan de islam niet gedijen; waar de islam heerst, is er geen plaats voor democratie” zou eigenlijk tot elke westerse beleidsmens moeten doordringen. De Algerijnse feministe Wassyla Tamzali hekelt in ‘Décomposition française. Comment en est-on arrivé là?’ (2015) op een brisante wijze het verzaken van het westerse denken, dat onmachtig is de islam te begrijpen. De Algerijns-Franse wetenschapster Malika Sorel klaagt het failliet van onze elites aan en het gebrek aan ‘vrijgeesterij’ (onze parèssia) met betrekking tot de islam. De Iraanse Abnousse Shalmani, in exil in Parijs, zet in haar pamflet ‘Khomeini, Sade et moi’ (2014) zowat de hele Franse literatuur (Choderlos de Laclos, Hugo, Colette..) in tegen een onderdrukkende islam. De Frans-Algerijnse Zohra Bitan, ooit woordvoerder van Manuel Valls, onderneemt een felle aanval op een arrogant, hypocriet en lui links (‘Cette gauche qui nous désintègre’, 2014), het soort bobo-links dat men in de lichtstad als les indignés de salon bestempelt; of de van oorsprong Kabylische Lydia Guirous, die in ‘Allah est grand et la République aussi’ (2014) meer dan wie ook de Franse republiek en haar waarden verdedigt tegen een opdringerige en sluwe islam.

De Franse psychoanalist Fehti Benslama, stelt in ‘La guerre des subjectivités en Islam’ (2014) vast hoe de subjectiviteit van de moslim in het Westen al te vaak bepaald wordt door de radicalisatie. De Franse auteur van Marokkaanse origine Amine El Khatmi spreekt in ‘Non je ne me tairai plus’ (2017) zijn walg uit ten opzichte van de Franse linkerzijde, haar negationisme met betrekking tot de islam, en hij veracht de idee dat de Fransen racisten zouden zijn. Dat hebben ze zichzelf aangepraat! De Pakistaans-Oostenrijkse Sabatina James schrijft in ‘My Fight for  Faith and Freedom’ (2010) over haar gevecht met de islam, haar overgang naar het katholicisme en vooral over haar ouders die haar met de dood bedreigden. Pas verscheen aan de universiteit van Tilburg de angstwekkende studie van Mohammed Soroush over het salafisme in Nederland, waarin hij unverfroren stelt dat westerse arabisten en islamologen van politiek correct denken doortrokken zijn en dus geen enkel krediet verdienen en dat er in Nederland minimaal dertigduizend salafisten zijn. Op basis van zijn onderzoek verwerpt ook hij het onderscheid tussen vrome en jihadistische salafisten. Gelukkig dat Soroush van Iraanse afkomst is en hij dus weinig weerwerk of intellectueel terrorisme van links mag verwachten, al wijst hij op precies dezelfde omineuze zaken als vele islamcritici.

De Algerijnse filosoof Hamid Zanaz schrijft in ‘L’Islamisme. Vrai visage de l’Islam’ (2012) dat het islamisme de kern is van het mohammedanisme en dat islam en islamisme hetzelfde doel hebben: de overwinning van de islam. De naar Frankrijk gevluchte Palestijn Waleed Al-Husseini klaagt in ‘Une trahison française. Les collaborationnistes de l’islam radical devoilés’ de intellectuele collaboratie aan van de westerse intellectueel, die niet wil horen dat de islam hem als vijand aanwijst en niet wil zien wat er onder zijn ogen gebeurt. Er zijn de uitermate kritische romans van Boualem Sansal en Yasmina Khadra (maar er zijn er tientallen) ten opzichte van hun van de islam doortrokken samenlevingen.

De islamitische pedagogie

Yidir Aberkane verzamelt in zijn heftige en niets aan de verbeelding overlatende ‘Islamectomie’ (2013) allerlei bronnen die ons moeten waarschuwen voor de noodlottige rol die de islam altijd al heeft gespeeld. De Syrisch-Amerikaanse psychiater Wafa Sultan (weleens de Voltaire van de islam genoemd) toont in ‘L’islam. Fabrique de déséquilibrés’ (2016) voorbeeldig aan hoe een opvoeding in de islam tot allerlei kwalijke psychologische ziektebeelden leidt, een fenomeen dat we elke dag in deze schaamtecultuur kunnen waarnemen. Deze schaamtecultuur en de nadruk op mannelijkheid en trots staan volledig haaks op de humanistische pedagogie van zelfstandigheid, autonomie en keuzevrijheid die wij hanteren. De directe confrontatie ermee drijft onze scholen tot wanhoop en intellectuele degradatie. Deze cultuur van regressie leidt ertoe dat geen enkel islamitisch land op een of andere manier en op geen enkel gebied voorspoed kent. Dat wordt dan ritueelgewijs en als hysterisch zwaktebod blijvend aan het kolonialisme geweten, want zelfkritiek is de islam helemaal vreemd. Het is de opvoeding van de moslim, doordrenkt van de islam, die overal tot de ‘homo islamiticus’ leidt.

De islamitische pedagogie, die totaal verknipt is, wordt bijvoorbeeld ook uitvoerig beschreven in het werk van Iraakse sociologen als Sania Hamadi en Ali al-Wardi. In hun studies komt de schizofrenie (izdiwaj) van het islamitische ‘karakter’ overvloedig tot uiting, met daarbij zijn retorische gedweep (met veel woorden en handgebaren, maar met weinig actie achteraf), zijn groteske zelfachting, zijn feitelijke onwetendheid over de islam, zijn sektarische denken, zijn verachting van de vrouw, zijn dubbelzinnige verhouding tot seks, de totaal verschillende socialisatie van jongens en meisjes (bij ons vervalt men in het ridicuul-tegenovergestelde: een bijna totale ontkenning van de twee geslachten), de nadruk op het van buiten leren (zoals men dus de koran moet kunnen opdreunen) en zijn soms brutale en agressieve opvoedingsmethoden waarbij lijfstraffen usance zijn. Die ‘pedagogie’ genereert een onderdanige persoonlijkheid ten opzichte van elke autoriteit en een tirannieke tegenover elke ondergeschikte – een houding die ook in heel wat romans uit de islamwereld tot uiting komt.

De islamitische bedrading van de hersenen

De moslim is de gevangene van de koran en alle andere orthodoxe bronnen. Die drijven hem in een intellectueel isolement. Het Westen heeft echter niet de minste culturele intelligentie met betrekking tot het wezen van de islam en nog minder van de manier waarop die al veertienhonderd jaar volledig en invasief ingrijpt in het leven van de moslim. De modale moslim kent natuurlijk alleen de geest van koran en ahadith, en die heeft een kwalijke invloed op de persoonlijkheidsvorming. De koran komt uiteindelijk neer op de gedachteloze eis tot onderwerping en op de voorstelling van wreedheid als een normaal gegeven, zeker gezien het voorbeeld van de na te volgen profeet, zoals beschreven door al-Tabari of Ibn Saad.  Westerse scholen bijten zich de tanden stuk op een mentaliteit die hun vreemd is en die ze trachten te verklaren met begrippen en analyses uit een westers conceptueel kader. Dat is, het blijkt elke dag, tot mislukken gedoemd, al was het alleen maar omdat de islam onze manier van denken als zwak verwerpt en dat ons ook ieder moment duidelijk maakt. In de Arabische mentaliteit zit een element van de bedoeïen, het tonen van kracht en van trots – en die premoderne attitude schemert elke dag door in de vele problemen die er met moslims zijn. Hun dagelijkse frustraties reageren ze dan vaak af via geweld. In die Arabische mentaliteit werkt ook de oude lex talionis door, het oog om oog, tand om tand. Ook de oude tegenstelling tussen moslim en niet-moslim heeft vandaag nog altijd een even grote invloed op het islamitische denken, juist omdat de hele ‘religie’ erop gebaseerd is.

Dat wordt in het Westen zeer onderschat, want hoe krijg je de islam uit de moslim, als de psychologie van dat systeem helemaal is ingevreten, als de islamitische bedrading van de hersenen geen plaats laat voor enige twijfel. Men kan dat al lezen bij de grootste historicus van zijn tijd, Ibn Khaldun (1332-1406) en bij diens leerling al-Maqrizi (1364-1442), die in tempore non suspecto in hun analyses van het Arabische karakter bewoordingen gebruiken die niemand vandaag zou durven te hanteren, maar die wel zeer herkenbaar de teneur van koran en ahadith weergeven. Ibn Khaldun merkt bijvoorbeeld op dat heel de Arabische mentaliteit de antithese is van beschaving en al-Maqrizi wijst op de instabiliteit, de traagheid, het misprijzen van studie (denk aan het gebrek aan libido sciendi), hun valsheid, de bereidheid om anderen te verraden, de lafheid, het geloof in onmogelijke dingen, het gebrek aan het nemen van beslissingen, hun hang naar bedrog, hun manco aan reflectie, hun gebrek aan  verantwoordelijkheidszin, de eeuwige drang naar ‘het redden van het gezicht’ – en hij merkt er fijntjes bij op (ofschoon hij niet politiek correct moest zijn…): alle Arabieren zijn natuurlijk niet zo, maar deze fouten worden toch bij de meesten onder hen vastgesteld.

Het is de Egyptenaar Taha Husein (1889-1973) die het werk naar het karakter van de Arabier, en bij uitbreiding de moslim, heeft voortgezet. Veel van wat zij hebben opgemerkt constateren we vandaag bij de ‘ontmoeting’ met de islam en we begrijpen het niet (maar durven het niet luidop te zeggen) of, zoals al aangehaald, we reageren erop vanuit een conceptueel kader dat niet toegerust is om de islam ten gronde te begrijpen. De toestemming tot liegen en veinzen die vanuit de oorsprongsbronnen kan worden gelegitimeerd, is bijvoorbeeld een facet van de islam dat voor westerlingen moeilijk te begrijpen is en dat tot algehele verwarring kan leiden. En zoals men van de Nederlandse samenleving kan zeggen dat ze door het calvinisme is gevormd, de Belgische door het katholicisme, de Engelse door het anglicanisme en de Zweedse door het lutheranisme, zo kan men van de Arabische, en bij uitbreiding van bepaalde Afrikaanse en Aziatische landen, zeggen dat ze door de islam zijn misvormd.

De negatie van de doorleefde waarheid

Ook de Nederlandse auteur van Marokkaanse afkomst, Hafid Bouazza, is niet mals voor zijn landgenoten-moslims. Is hij dan racist? Het lemma racist is trouwens een opgerekt begrip geworden dat alles kan betekenen en waarmee door de politieke correctheid en haar intellectuele terrorisme wild in het rond wordt gezwaaid. Slachtoffers maakt dat willekeurig gehanteerde zwaard altijd, letterlijk en figuurlijk. Het jaagt iedereen de donder op het lijf. Bouazza lardeert in het fraaiste proza denkbaar zinnen met invectieven tegen de islam die ik niet zou durven te gebruiken! Hafid Bouazza begrijpt de westerse onderkruipers niet die de islam op allerlei manieren faciliteren en dit systeem de strop aanbieden waarmee zij zelf zullen worden opgehangen, zoals bijvoorbeeld in 1979 en 1980 in Iran. En het is tekenend dat de titels van veel van de boeken van dissidente moslimauteurs erop neerkomen de islam als ziekte te percipiëren (‘La maladie de l’Islam’ van Abdelwahab Meddeb). Des te verwonderlijker blijft het dus dat westerse intellectuelen dat systeem blijven verdedigen en daarmee in feite een averechts racisme scheppen. De islam heeft dus wel zijn hervormers, maar ze worden niet gehoord. Door het Westen worden ze niet eens gerecenseerd of bekend gemaakt en moslims kennen hen niet, want een kritische geest, een leescultuur en een libido sciendi is hun vreemd – Bildungsfeindlichkeit noemt men die afkeer van intellectuele nieuwsgierigheid zo mooi in het Duits. Ten overvloede: onze scholen bijten er hun tanden op stuk. De islam immers is een gesloten en totalitair systeem is, zoals het communisme dat was, en het fascisme. De islam is in zijn aard en vanuit zijn boodschapper eeuwig en onveranderlijk. Dat dogma werd er al veertienhonderd jaar ingeramd. De islam heeft dus geen Ernest Renan en geen Georges Bernanos voortgebracht zoals het christendom, ook al zijn er prille reformatorische pogingen (Malek Chebel bijvoorbeeld, maar wie kent hem?!). Renan stelde in de negentiende eeuw erg lucide dat moslims de eerste slachtoffers van de islam zijn. Het is een pijnlijke waarheid die geldt tot vandaag. Renan, die opmerkte dat de islam van de landen en volkeren die hij heeft gekoloniseerd een dor veld heeft gemaakt fermé à la culture rationelle de l’esprit.

Wanneer Erdogan onlangs een reconfiguratie opeiste van nieuwe allianties op basis van de jihad, zei hij eigenlijk niets nieuws, maar het Westen vermag die Erdogan-taal, gebaseerd op de koran, de ahadith en de shariahandboeken, niet te begrijpen. Als in Pakistan de eerste minister en zijn regering een wereldbekende Ahmadyya-economist (de Ahmadyya zijn een vervolgde moslimminderheid, in 1889 gesticht) in hun economische raad willen opnemen, leidt dat tot gewelddadige rellen en wordt hij prompt ontslagen. Als in Indonesië een christelijke provinciegouverneur aangesteld wordt, leidt een en ander in dit grootste moslimland tot rellen, tot abdicatie en tot een gevangenisstraf voor deze christen. En hoe het de yezidi in Syrië en Irak is vergaan, weet de wereld ondertussen, maar veel haalt het niet uit. Al onder het Osmaanse rijk werden ze vervolgd en afgeslacht. De verhalen zijn eindeloos. Het paradoxale is echter dat geleerden in de negentiende eeuw en tot de jaren zeventig van de twintigste eeuw – arabisten, islamologen, oriëntalisten, de eerste antropologen – ongedwongen over de islam konden schrijven en over die ideologie met een religieus randje de kwalijkste zaken konden schrijven, altijd gebaseerd op islamitisch bronnenmateriaal. Dat is vandaag veel lastiger, zo niet onmogelijk, omdat de islamcriticus vandaag aan laster en erger wordt blootgesteld. De Algerijnse Fransman Hamid Zanaz schrijft daarover: “Les Occidentaux, par prudence et par peur d’être accusés de racisme, de néo-colonialisme et d’islamophobie, se taisent ou acquiescent. Universitaires, écrivains, journalistes et essayistes, né musulmans ou pas, préfèrent leurs plans de carrière à la vérité et à ses conséquences. Ils redoutent aussi les procès car il est facile de travestir juridiquement la critique de l’islam en haine contre les musulmans.”

Treffend is ook dat door het linksliberale volk gevierde romanschrijvers uit het vroegere Oostblok, met name Imre Kertész, György Konràd en Czeslaw Milosz, de islam verketteren. Deze drie auteurs kennen het communisme uit de eerste hand en vergelijken het met dat totalitaire systeem. Kertész en Konrad hebben daarenboven als Hongaren nog genoeg historisch bewustzijn om te weten wat de betekenis van het Ottomaans-islamitische rijk was voor hun land. De Pools-Litouwse auteur en Nobelprijswinnaar Literatuur Czeslaw Milosz trekt in zijn grundlegendes werk ‘Verführtes Denken’ (1974 – te vertalen als ‘het soort denken dat mensen verleidt’, waarmee hij natuurlijk het communisme bedoelt dat overal fellow travellers had en dat door de Franse denker Raymond Aron l’opium des intellectuels werd genoemd) de parallel tussen de leugenachtigheid van de communistische samenleving – waar om te overleven iedereen in het grote en wederzijdse bedrog moest leven – met het islamitische begrip ketman: het verzwijgen van de eigen bedoelingen en theologische dogma’s om de vijand te misleiden, hem te beliegen voor het grotere doel, namelijk de mondiale verspreiding van de islam en het daaruit te ontspruiten wereldkalifaat. Het mogen veinzen en liegen is in de islamitische orthodoxie, aanvankelijk in de sjiitische, daarna in de soennitische toegelaten: het begrip heet taqyyah. Men beliegt de niet-moslim om de islamisering niet in het gedrang te brengen. Samen met de schaamtecultuur leidt dit tot een verwrongen houding ten opzichte van de realiteit.

Deze drie auteurs, die tijdens het communisme een bestaan vol ellende doorleefden en de mechanismen van dat wrede goelagsysteem aan den lijve ervoeren, worden ook ervaringsexperts wanneer ze ons waarschuwen voor de islam – maar ook zij worden niet gehoord. De globalistische liberale elites hebben immers een andere agenda: economisch die van het creëren van een reservoir aan goedkope arbeidskrachten; ideologisch – geïnspireerd door de sociaal-constructivistische idee één mensheid te creëren – het formeren van één groot mensenras waarbij iedere nationaliteit en particulariteit uitgevlakt worden. Via deze nieuwe politieke en utopische religie, een nieuwe versie van de Wederdopers, zou het ware humanisme dan aanbreken! Het drieduizend jaar oude monotheïsme wordt hier door een ander monotheïsme vervangen: dat van de nieuwe mensheid dat coûte que coûte door ieders strot zal worden geduwd, mét censuur en broodroof als het moet.

Vele van de boven genoemde Arabische auteurs worden bij ons zelden geciteerd of gerecenseerd. Ook in Nederland kent men ze niet of nauwelijks. De drie Oostblok-schrijvers wél, maar nooit in de context van de islam, ofschoon ze dat zélf wel aangeven. Hun doorleefde waarheid hoort men liever niet en ook in het Westen wil de postmoderne mens blijkbaar niet in de waarheid leven. De wet van de vereiste variëteit wordt hier op een bijzonder schandelijke wijze met voeten getreden.

Een bijzondere vorm van racisme

Naast de islamcritici uit Arabisch of Perzisch gebied en naast de vroegere Oostblokdissidenten die de parallellie van hun systeem met dat van de islam op de kaart hebben gezet, zijn er de vele westerse islamcritici, onder wie ik er hier al drie heb vermeld. De titels van hun werken alleen al spreken boekdelen. De Amerikaanse journalist Christopher Caldwell merkt in ‘Reflections on the Revolution in Europe. Can Europe Be the Same with Different People in It?’ (2009) hetzelfde op als wat de Nederlandse politicoloog Paul Scheffer al meermaals stelde: dat er geen precedent is van de immigratie van de laatste vijf decennia in Europa, noch wat de kwantiteit noch wat de niet-Europese cultuur van de migranten lato sensu betreft. Voor Caldwell is de Europese civilisatie in verval omdat de loyaliteit van de modale immigrant, vaak een moslim, niet bij het Westen ligt (dat hij eigenlijk verafschuwt) maar bij zijn geloof. “Waarom, in godsnaam”, citeert Caldwell de Duitse jurist Udo di Fabio, “zou een lid van een vitale wereldcultuur in de westerse cultuur willen integreren, wanneer die cultuur geen kinderen meer voortbrengt, geen enkele transcendentie incarneert en zijn einde nadert?”. Voor Caldwell is een mannelijke en vitale islam uiteraard sterker dan een beschaving die geen veerkracht meer heeft, ook al zijn moslims er dan nog altijd in de minderheid. In 2007 publiceert de Amerikaanse historicus en kenner van fascisme en communisme Walter Laqueur ‘The Last Days of Europe. Epitaph for an Old Continent’ waarin hij niet bepaald optimistisch is voor the shape of things to come voor Europa. Wat we elke dag zien in de banlieues van Franse steden, in bepaalde Aziatische wijken in Engeland (Bradford), in Stockholms wijk Rinkeby, in Molenbeek of in Malmö geeft ons, aldus Laqueur, een voorproefje van de toekomst. Ook hij beklemtoont de enorme verschillen met vroegere immigraties.

De Europese Unie zal de Eurosclerose niet tegenhouden, want die ondemocratische superstructuur draagt integendeel bij aan de existentiële crisis van het oude continent waarvan de elites elkaar eeuwig blijven coöpteren (Malika Sorel-Suter) en het gevaar van de islam minimaliseren, net zoals men tijdens de jaren dertig de natuur van het nazisme niet echt doorgrondde en dus downplayde. In 2017 publiceerde de Engelse schrijver Douglas Murray ‘The Strange Death of Europe’ waarin hij ons eraan herinnert dat al in 1968 vijfenzeventig procent van de Engelsen meende dat immigratie niet strikt genoeg gecontroleerd werd en dat de ‘Rivers of Blood’-speech van Enoch Powell door drie vierde van de Engelsen werd toegejuicht. Sindsdien is het alleen maar bergaf gegaan met het negationisme van de elites. Vanaf de jaren tachtig werd het politiek correcte discours oppermachtig. De deconfiture in heel de UK nam akelige vormen aan, met sterke staaltjes van het wegkijken van de problemen die de islam automatisch met zich brengt.

Alle geciteerde denkers zijn politiek niet correct en spreken vanuit hun expertise de waarheid uit over de islam. Ze klinken schel in de oren van degenen die stil bleven (en blijven) over de ware aard van dat sinistere systeem. Je vindt dit soort Arabische, Perzische en Aziatische denkers per strekkende meter. Ze werden ook in vele talen vertaald; toch kent de pensée unique ze niet, wil ze blijkbaar niet kennen.  Immers: onze witte do-gooders weten het véél beter dan deze ervaringsexperts… In die zin zijn zij de nieuwe racisten die het debat koloniseren en intellectueel terroriseren.

…naar dialoog

(suggesties en vragen van de redactie ter stimulans voor verdere dialoog)

Vragen:

  • Wat behoort tot de kern van het islamitische denken? Op welke boeken/denkers moeten we ons baseren om dit te weten te komen?
  • Wat is racisme? Wat is de grens met vrijheid van mening?
  • Waarom kan een gematigde islam niet ontstaan/bestaan?
  • Moeten we in de discussie over de islam geen onderscheid maken tussen de islam als geloofsysteem en de politieke islam?
  • Hoe kunnen we de dialoog tussen moslims en niet-moslims versterken?
  • Waarom krijgen de islamcritici uit het Midden-Oosten minder aandacht in de media?
  • Is de hedendaagse moslim kritisch genoeg om de Koran en andere religieuze geschriften in historisch perspectief te plaatsen? Hoe zit dat met andere gelovigen? Hoe kunnen we de kritische geest van deze mensen stimuleren?

Suggesties

  • Vermijd herhalingen. Probeer de kern van het stuk weer te geven in een kortere tekst.
  • Definieer zoveel mogelijk onduidelijke begrippen.
  • Probeer emotionele opwerpingen te vermijden. Concentreer je op je argumentatie.
  • Vermijd een teveel aan gezagsargumentatie.
  • Maak kortere zinnen en vermijd het gebruik van woorden die de lezer niet kent.
  • Werk met tussentitels om de structuur van de tekst te verbeteren.

Een reactie op “(67) Islam en een bijzondere vorm van racisme

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s