(65) De grondrechten als kompas voor het sociaal werk als sociale rechtvaardigheidsberoep – over de revolte en klein en grote utopieën.

AUTEUR: Benard Hubeau (Universiteit Antwerpen)

THEMA: Filosofie en sociologie

OPMERKING: Dit is een ingekorte versie van de lezing gegeven op 29 maart 2018 in het kader van een Lecture Sociaal Werk aan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen.

La révolte n’est pas contraire à la mesure (De revolte is niet tegengesteld aan de maat) – Albert Camus

1. Vooraf: Camus en Achterhuis houden het kompas vast

De relatie tussen recht en grondrechten en het sociaal werk is niet vanzelfsprekend. Enkele richtinggevende en veel voorkomende vragen over deze relatie bij sociale professionals zijn onder meer: wat is de rol van het sociaal werk bij het realiseren van grondrechten? Welke benaderingen bestaan er over grondrechten en sociaal werk? In welke mate zijn deze grondrechten afdwingbaar? Welke problemen en knelpunten worden erbij ervaren? Op welke manier moet het sociaal werk met deze knelpunten omgaan? Een richtinggevende kernvraag bij vele (sociale) professionals is deze: hoe kan professioneel en efficiënt maatwerk (in de zorg) samengaan met verandering om tot sociale rechtvaardigheid te komen met respect voor de menselijke waardigheid?

Wij zien de relatie tussen grond- en mensenrechten, sociale rechtvaardigheid en menselijke waardigheid er als volgt. Het doel van sociaal werk is vooral enerzijds individueel welzijn creëren en ontplooiing mogelijk maken en anderzijds sociale rechtvaardigheid nastreven. Het normatief en ethisch kader is het respect voor de menselijke (en sociale) waardigheid. De middelen, methodes (het “kompas”) daarbij zijn onder meer zorg en (mensen-, grond-)rechten. Deze laatste kunnen ofwel juridisch, ofwel sociaal worden ingevuld, of via een combinatie van beide benaderingen.

Albert Camus is daarbij –samen met Hans Achterhuis- een goede gids: hij is een “professeur de civisme démocratique”, zo zei Guérin ooit. Wij gaan na in hoeverre zijn idee over “revolte” ons kan helpen om deze oefening te doen (Camus, 1951). We gaan voorts op zoek naar “grote” en “kleine” utopieën. Achterhuis schetst de gevaren van de grote utopieën, met name dat ze (kunnen) leiden tot totalitaire en/of autocratische regimes en pleit voor een hernieuwde aandacht voor “kleine(re)” utopieën. We geven het onderscheid tussen kleine en grote utopieën gaandeweg meer vorm: de kleine utopie heeft vooral, maar niet uitsluitend, te maken met de menselijke waardigheid en integriteit, de grote utopie met sociale rechtvaardigheid, waarvoor al dan niet hervormingen noodzakelijk zijn.

2. Op zoek naar een definitie van rechten en (sociale) grondrechten

Rechten zijn eenvoudig gesteld aanspraken die de burger kan maken ten aanzien van andere particulieren of de overheid en die afdwingbaar zijn. Daaraan zijn vaak expliciet of impliciet ook verplichtingen gekoppeld.

Een bijzondere, maar zeer belangrijke soort van rechten zijn de grondrechten of mensenrechten. We gaan hier even dieper op in, omdat deze begrippen vaak door mekaar worden gebruikt, ook in het sociaal werk. Sommigen maken echter een –naar onze mening niet altijd zo relevant- onderscheid tussen mensenrechten en grondrechten. Mensenrechten zijn die rechten en vrijheden waarover ieder mens beschikt en waaraan niet kan worden getornd; vaak wordt erbij vermeld dat die geacht worden de grondslag te zijn voor alle rechten die door wet en gewoonte worden gesteld. Grondrechten worden gedefinieerd als publiekrechtelijke rechten van individuele burgers tegenover de staat en indirect (na belangenafweging) tussen burgers onderling. Soms wordt daaraan toegevoegd dat het meestal in nationaal erkende, in de grondwet of in wetten vastgelegde fundamentele rechten betreft, in tegenstelling tot de mensenrechten, die zich bewegen in de internationale sfeer. Anderen stellen dat het verschil tussen beide en het dichterbij brengen van beide de meerwaarde van het sociaal werk kunnen uitmaken (Debruyne en Grymonprez, 2018).

Naast de eerder sociaal-politieke rechten, gericht op emancipatie en vermijding van discriminatie, zijn er ook de sociaaleconomische, sociaal-culturele of sociale grondrechten. Zij hebben meestal te maken met de (her)verdeling van schaarse goederen, waardoor verplichtingen gelden ten aanzien van de staat om bepaalde zorg beschikbaar te stellen. Vaak worden deze laatste grondrechten gekoppeld aan de ambitie om het voor de burgers mogelijk te maken om een leven te leiden dat overeenstemt met de menselijke waardigheid.

In het sociaal werk is niet altijd duidelijk of men de verschillen tussen deze verschillende soorten van rechten voldoende incalculeert. Vaak blijkt dat rechten en mensenrechten als synoniem worden gebruikt. In het sociaal werk heeft men het ook vaak over mensenrechten in de ethische betekenis van het woord: de vraag rijst of dit de discussie over sociale rechtvaardigheid niet eerder bemoeilijkt dan bevordert.

In welke bronnen vindt men deze mensenrechten en (sociale) grondrechten terug? Men vindt ze in internationale verdragen, waarvan een aantal rechtstreekse werking hebben in ons land, en andere dan weer niet. Ook in de Grondwet is artikel 23 opgenomen met een aantal grondrechten (vaak zegt men zes, naar mijn mening zijn het er negen): het recht op arbeid, het recht op sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid, sociale bijstand, geneeskundige bijstand, juridische bijstand, behoorlijke huisvesting, bescherming van het gezond leefmilieu, culturele en maatschappelijke ontplooiing en het later toegevoegde recht op gezinsbijslagen.

Mensenrechten en grondrechten zijn –zo merken we- zeer “populair”, ook in het sociaal werk. Hoe komt dat? Het belang van de mensenrechten in het publieke debat en in de publieke interventies en hulpverlening is in onze verzorgingsstaat gegroeid, onder meer door een verdergaande juridisering en regulering in een mondiale context, maar ook het teruggrijpen naar individuele rechten bij gebrek aan een uniform levensbeschouwelijk kader als inhoudelijke invulling of fundering voor de samenleving. Rechten formuleren de minimale basisvoorwaarden voor individuele zelfbeschikking en leggen de basisrichtsnoeren voor het sociale verkeer vast, zonder evenwel concreet te bepalen hoe het sociale leven eruit moet zien (Verschraegen, 2009). In zekere zin zijn quasi alle rechten mensenrechten, rechten van mensen met betrekking tot hun rechtspositie, maar het gaat niet altijd om grondrechten. In die benadering wordt misschien iets te veel onder mensenrechten alle rechten verstaan.

Mensenrechten houden enerzijds verband met het “sacrale” van elke mens. Elke samenleving heeft en koestert een aantal idealen, zo stelt Weymans (2017), en die vormen een soort ideologisch klimaat, waartoe de mensenrechten behoren, omdat ze wellicht verwijzen naar de “weinige grote morele idealen waarin we geloven, die ons hoop bieden en die het goede belichamen”. Ze bieden zelfs een “moreel kompas in de internationale politiek en verwijzen naar een betere wereld”. Maar anderzijds blijven ze altijd een set afspraken tussen mensen, dus fragiel. Ten slotte is het gedeeltelijk ook een kwestie van interpretatie en intersubjectief aanvoelen. Bovendien is de mens vaak op zoek naar zekerheden: is het mensenrechtenfundament misschien iets dat die zekerheid kan leveren?

3. Behoren mensenrechten tot de essentie van het sociaal werk? Mensenrechten als kompas

Hoewel wellicht sprake is van een slingerbeweging in de aandacht van het sociaal werk voor mensenrechten en grondrechten, toch is er al meer dan 100 jaar een link tussen sociaal werk en mensenrechten. De geschiedenis van het sociaal werk wijst evident naar een band met de mensenrechten (Claessens, 2017 en 2018). Recent werd in 2016 in Vlaanderen nog een manifest gepubliceerd met als titel “Stel mensenrechten centraal in het sociaal werk!” (Hartman, e.a., 2016) naar aanleiding van de bedreiging van “de ooit zo gekoesterde fundamentele waarden, zoals rechtvaardigheid en gelijkheid”. Sommigen hebben het steevast over een “mensenrechtenberoep”.

In 2000 hebben de internationale verenigingen van sociaal werk-opleidingen en van de sociale werkers (de beroepsvereniging) een gezamenlijke definitie vastgesteld. Daarin nemen principes van mensenrechten en sociale rechtvaardigheid altijd een belangrijke plaats in (International Federation of Social Workers, IFSW, 2000 en 2014). Het sociaal werk bewaakt de eerste (burgerlijke en politieke rechten), tweede (economische, sociale en culturele rechten) en derde generatie-rechten (focus op de natuurlijke wereld, biodiversiteit en intergenerationele rechtvaardigheid en billijkheid; de “collectieve” rechten), zo staat in de “commentary notes for the global definition of social work” van 2014.

Er is in het sociaal werkberoep steeds een normatief of ethisch aspect aanwezig, zo wordt gesteld. “Social work heeft zich ontwikkeld uit humanitaire en democratische idealen. Het beroep is gebaseerd op respect voor de gelijkheid, waarde en waardigheid van alle mensen” (IFSW, 2000, 1). Sinds het begin heeft het sociaal werk zich gericht op het tegemoetkomen aan menselijke behoeften en het ontwikkelen van menselijk potentieel. “Mensenrechten en sociale gerechtigheid dienen als motivatie en rechtvaardiging voor het handelen van social workers”; sociaal werk “bestrijdt … belemmeringen, onrechtvaardigheid en onrecht in de maatschappij”. Daarom wordt gezegd dat sociaal werk een “normatief beroep” is: een beroep waarin je vanuit bepaalde waarden moet werken (van Ewijk, Spierings & Wijnen, 2012, p. 49).

Ashley Miller somt de vijf topwaarden op van de sociale werker en dat zijn: dienstbaarheid voor de samenleving, sociale rechtvaardigheid (dit houdt in dat de noodzaak erkend wordt om kwetsbare personen te ondersteunen en de wil om de levens van de minst bevoorrechten te verbeteren, die dat vaak niet voor zichzelf kunnen doen), menselijke waardigheid en waarde (er is respect voor de inherente waarde van elk menselijk leven, ongeacht achtergrond of overtuiging, en het recht op “self-determination”), integriteit en competentie (Miller; http://work.chron.com/top-5-values-being-social-worker).

Allerlei benamingen doen de ronde over hoe mensenrechten zich verhouden tot het sociaal werk en welke functie ze (zouden kunnen) hebben: respectievelijk gaat het om een “sociaal-politiek referentiepunt”, “handelingskader”, “oriëntatiepunt” voor het sociaal werk. Of ze behoren tot het “DNA van het sociaal werk” of gaat het om een “constructieproces door het sociaal werk” (mensenrechten worden in het sociaal werk “gecreëerd”; men heeft het over de rol als “co-constructeur, mede-maker” van mensenrechten in de concrete praktijk).

Wij verkiezen het concept van een kompas. Het stapwerk gebeurt door de wandelaar, de sociaal werker: het kompas is een oriëntatiepunt, een rustige zekerheid tijdens het traject om een doel te bereiken, ook in geval van keuze- of crisismomenten. Wanneer we het hebben over een kompas gaat het om een algemeen referentiekader, maar je moet je weg nog vinden wanneer je weet waar het noorden (of zuiden) ligt. Dat zijn de methodes die je gebruikt om het doel (letterlijk, je eindpunt, en figuurlijk, sociale rechtvaardigheid en menselijke waardigheid) te bereiken. Een aantal beroepen hebben hetzelfde doel, maar gebruiken andere methodes. Het sociaal werk onderscheidt zich meer van andere beroepen door de methodes, dan wel door het doel, het eindpunt.

Mensenrechten zien we dus als kompas voor het sociaal werk, als een inspiratiebron en als richtinggevend voor het handelen en als toetssteen daarvoor (Reichert, 2001). Men kan het ook zien als het “cement”, samen met “social justice” voor het sociaal werk. In die zin zijn sociale werkers “veranderingsagenten”, zowel in “de samenleving als geheel, als in het leven van de personen, families en gemeenschappen waarvoor zij zich inzetten”, kortom: verandering in de richting van een betere realisatie (Blom, 2009, 14).

Maar deze vergelijking met een kompas leidt niet rechtlijnig tot de typering van het sociaal werk als een typisch “mensenrechtenberoep” (b.v. Nachtergaele, e.a. 2017, 14). Kunnen bijvoorbeeld de advocatuur of de medische wereld dit etiket ook niet claimen? Mij lijkt dit wel. Bovendien zijn de mensenrechten eerder een middel dan een doel op zich.

In Sociaal.net van enkele weken geleden ontspon zich een interessante discussie naar aanleiding van een bijdrage van Hans Van Crombrugge, met de titel “Sociaal werk is geen mensenrechtenberoep”, gevolgd door een reactie van Reynaert, e.a. Van Crombrugge stelt voorop dat de wezenskenmerken van het sociaal werk zorgzame aandacht en zorgzame rechtvaardigheid zijn.

Deze discussie verwijst in wezen naar de spanning, maar ook complementariteit van het individuele en het structurele aspect van het werken in de sfeer van het sociale. Deze spanning, alsook de complementariteit zijn er ook in de gezondheidszorg, in de rechtsbijstand, en ook in het woonactivisme met het oog op de realisatie van het grondrecht op wonen. Men zou ook kunnen spreken over de harde en de zachte kanten van het sociaal werk.

Van Crombrugge wijst voorts terecht op het feit dat mensenrechten niet enkel solidariteit tot stand brengen of realiseren, maar dat ze vaak het resultaat zijn van politieke (en vaak internationale) compromissen en ten slotte ook vaak kunnen worden gezien als een administratieve en procedurele kwestie. Het klopt: we spreken dan ook over materiële grondrechten (over de inhoud) en procedurele grondrechten (over de wijze van afdwinging). Mensenrechten creëren ook vaak verplichtingen ten aanzien van mensen, die niet per se emanciperend zijn. Wij vinden de benadering van de zorgzaamheid als intermenselijke deugd interessant, maar vinden een koppeling aan het structurele en aan wat we verder de sociale waardigheid noemen essentieel.

Reynaert, e.a. (2018) reageren daar dan weer terecht op door te stellen dat alles afhangt van de “lezing” die je geeft aan de grondrechten. De sociale werker kan daarbij een rol spelen en wordt zo mede-maker van mensenrechten. Daarbij toch de opmerking dat je dit niet altijd als persoon of als professional, zoals een sociaal werker, in de hand hebt, maar dat hierbij vaak de overheid, en ook de realiteit (onder meer van de vrije markt) een rol spelen.

Opnieuw zijn beide complementair. Ze kunnen niet zonder mekaar, zowel de bevordering van de mensenrechten als kompas, als de zorgzame aandacht als methode. De methode die daarbij onder meer kan worden gebruikt is de “empathie” (Devisch 2017 spreekt echter over het “empathisch teveel”). Voor hem zijn structuren en procedures nodig die toelaten om rechten “onvoorwaardelijk te realiseren”: empathie, hoe waardevol ook, legt volgens Devisch onvoldoende de basis voor zo’n structuren. Daarom pleit hij voor een “werkbare onverschilligheid”. Daartegenover stellen Cools en Raeymaeckers –daarbij verwijzend naar Sennett- dat empathie een houding en vaardigheid is (Cools & Raeymaeckers 2018)

4. Op zoek naar de menselijke waardigheid als leidraad en toetsingskader

In de Encyclopedia of Philosophy wordt een onderscheid gemaakt tussen het begrip menselijke waardigheid in ethische, juridische en politieke context, maar het wordt sowieso gezien als “a foundational commitment to human value or human status” (http://www.iep.utm.edu/hum-dign: trefwoord “Human Dignity”).

In de debatten over effectiviteit van rechten is het concept van de menselijke waardigheid van groot belang: het is immers een kernpunt en een overkoepelend recht in artikel 23 over de grondrechten. Toch is het een vaag en relatief begrip. Het concept menselijke waardigheid getuigt van een “persoonsgebonden” denken en dit is vooral tot stand gekomen tijdens de Verlichting met Immanuel Kant als grondlegger. Hij gaat ervan uit dat een mens een absolute intrinsieke en onvergelijkbare waarde heeft, die verschilt van materiële objecten of andere levende wezens. Een mens is boven elke prijs verheven en is een doel op zichzelf (Moons, 2016).

Wij pleiten er in dit verband voor om het begrip “sociale waardigheid” te hanteren, om het verschil aan te wijzen met de interpretatie dat het een intrinsieke waarde zou zijn, die de mensenrechten een verantwoording biedt (Moons & Hubeau, 2016). Deze sociale waardigheid gaat verder dan de elementaire levensbehoeften en de bijhorende sociaaleconomische rechten: het verwijst naar de mogelijkheid om volledig deel te nemen aan de samenleving. En dit kan enkel door een combinatie van traditionele en sociale grondrechten. De materiële behoeften, verankerd in de sociale grondrechten, moeten voor een minimumniveau voldaan zijn alvorens mensen van hun individuele vrijheid en autonomie, zoals opgenomen in de traditionele grondrechten, kunnen genieten. Sociale waardigheid verwijst ook meer naar de maatschappelijke opdracht die erin bestaat de grondrechten voor burgers te realiseren, terwijl het concept menselijke waardigheid vaak een meer subjectieve invulling krijgt. Deze benadering sluit ook gedeeltelijk aan bij de denkwijze van Nussbaum over de “capabilities”. Zelf stelt Nussbaum zelf dat de capability-benadering “een nauwe bondgenoot (is) van de internationale mensenrechtenbeweging”, meer zelfs: haar versie van de benadering wordt gekenmerkt als een mensenrechtenbenadering. Het komt erop neer dat alle mensen over essentiële rechten beschikken, zuiver en alleen als gevolg van hun menselijkheid (Nussbaum, 2016, 115).

In de juridische benadering zijn er toch twee sterk complicerende vaststellingen: enerzijds dat verschillende hoven (onder meer ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens) en instituties er wezenlijk verschillende functies aan verleend hebben, zodat er niet echt sprake is van één gezamenlijk concept. Bovendien wordt het vaak gezien als een hogere, inspirerende norm. Menselijke waardigheid is eigenlijk geëvolueerd van een moreel beginsel naar een juridisch gebruik (Brems & Vrielink 2010), maar het is onduidelijk hoe de relatie ligt tussen deze functie en het concrete potentieel in concrete situaties.

In ons geheugen gegrift is de beroemde uitspraak in een Franse casus Wackenheim over het “dwergwerpen” en de strijdigheid ervan met het beginsel van de menselijke waardigheid. Lokale overheden hadden dwergwerpen verboden, maar de heer Wackenheim, zelf een dwerg, zag zijn broodwinning verdwijnen en ging hiertegen in beroep tot hij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties. Hij beriep zich op de menselijke waardigheid, maar dit werd niet aanvaard. Het een beroep doen op de openbare orde om de menselijke waardigheid in te perken wordt toelaatbaar geacht, zo vond het Hof, daarbij de interne Franse uitspraken bevestigend.

5. Op zoek naar een sociale benadering versus een juridische benadering van mensenrechten en grondrechten: een rechtsgebied als (g)een ander?

Het is duidelijk dat men kan spreken van een sociale, morele of ethische benadering van de mensenrechten aan de ene kant en (versus?) een juridische benadering van mensenrechten aan de andere kant. Staan ze beide in contrast met mekaar of vullen ze mekaar aan?

Ook al zijn mensenrechten in de huidige samenleving zeker belangrijker geworden, toch “sociologists have been surprisingly reluctant to engage in human rights research” (Madsen & Verschraegen, 2013, 1). De sociologie van de mensenrechten is dus echt maar recent op de kaart gezet. De oorzaak kan onder meer worden gevonden in de sociologische traditie zelf, namelijk gebaseerd op een zeker scepticisme tegenover de normatieve idee over individuele rechten. Dit gebeurde onder invloed van onder meer Weber en Marx, die af wilden van de natuurrechtelijke benadering en meer nadruk legden op het rationeel karakter van recht en de subjectieve rechter eerder zagen als ideologisch geladen concepten). De sociologen vonden individuele rechten niet zozeer hun terrein: dat was voor de filosofen en juristen. Aan de ene kant was het universalisme en het normatieve karakter van mensenrechten niet evident; bovendien had het denken daarover ook een moraliserend iets. (Madsen & Verschraegen, 2013, 2). Na de tweede wereldoorlog was er wel sociologische aandacht voor de uitwerking van een sociologie van het burgerschap, als een soort substituut voor een sociologie van de mensenrechten. Maar zo’n kwart eeuw geleden is de aandacht voor een sociologie van de mensenrechten serieus van de grond gekomen, mede door de koppeling aan het debat over de globalisering, de “cosmopolitan turn” (de term is van Beck & Sznaider, 2006). Toch blijft er een mate van onzekerheid over waar de mensenrechten juist passen in de sociologie, mede door de diversiteit aan sociologische paradigma’s en de zeer verschillende opinies over de rol en taken van de sociologische professie (Madsen & Verschraegen, 2013, 3).

Aan de andere kant van het continuüm is er de juridische, de positiefrechtelijke benadering. Het rechtsgebied van de mensenrechten is een zelfstandig rechtsgebied met eigen technieken, wat opportuniteiten, maar ook begrenzingen tot gevolg heeft. Het onderscheid tussen grondrechten als een morele claim en als een juridische claim moet dus leiden tot een andere interpretatie van het beroep op diezelfde grondrechten. In de juridische benadering hebben de mensenrechten wel twee gezichten, wat soms een dubbel, soms teleurstellend effect heeft. Enerzijds hebben ze een universeel (ze gelden voor iedereen) of algemeen en dus ook deels absoluut karakter. Ze zijn onvervreemdbaar (je kan ze niet afstaan) en er geldt een standstill-verbod: de wetgeving mag geen achteruitgang voor de grondrechten tot gevolg hebben. Anderzijds zijn grondrechten ook relatief en dus niet absoluut. Onder meer gebeuren er vaak afwegingen tussen diverse grondrechten, zoals het recht op wonen versus het recht op eigendom bij een kraakpand. Ook beginselen van de rechtsstaat en de rechtsbescherming betekenen zowel een versterking, als een mogelijke beperking van de grondrechten.

Een interessante gedachte komt van Koen Lemmens: “Hoe vaak moeten rechters en mensenrechtenprofessoren er niet aan herinneren dat een inmenging in de mensenrechten daarom nog niet betekent dat deze rechten ook effectief zijn geschonden? … Deze frase geeft zeer goed weer hoe gesubjectiveerd het denken over (grond)rechten geworden is. Aan de orde is niet langer of mensen het slachtoffer zijn van discriminaties, maar wel of mensen het gevoel hebben steeds meer geconfronteerd te worden met beperkingen waarvan zij vinden dat ze discriminatie uitmaken. Met andere woorden, het gevoel van een werkelijkheid weegt zwaarder door dan de werkelijkheid op zich en de beoordeling van wat een discriminatie is wordt ultiem toevertrouwd aan de beweerde slachtoffers” (Lemmens, 2017, 107). Hij besluit dat rechters en juristen “begrip voor mensen, inleving in de situatie van anderen” als deugden moeten zien, maar ze mogen niet de overhand krijgen zodat het recht à la tête du client moet worden toegepast. Hier pleiten wij toch eerder voor een én-én-benadering, waarbij beide elementen in acht moeten worden genomen.

We vermelden kort twee centrale concepten binnen het mensenrechtendenken. Het eerste beginsel is dat van de “progressive realisation”. Vooreerst lijkt het een evident beginsel, al was het doordat er op die manier openheid is voor nieuwe ontwikkelingen. Aan de andere kant staat het in een gespannen verhouding met een discours dat meer en meer opgang maakt, namelijk het resultaatgericht karakter van rechten in tegenstelling tot het inspanningskarakter (Bernard en Hubeau, 2013). Want de erkenning dat er nog moet worden verder gewerkt in de richting van het grondrecht, betekent dat men soepeler kan kijken naar wat er op het terrein gebeurt.

De standstill-regel (het verbod om maatregelen te nemen die de bescherming van de mensenrechten vermindert) is het tweede beginsel en het moet gaan om een “aanzienlijke” achteruitgang van de bescherming. Sommigen pleiten voor een strikte toepassing van het beginsel en dan zou achteruitgang enkel toelaatbaar zijn in welbepaalde omstandigheden, als er gelijkwaardige alternatieven worden geboden, die compenserend werken in het geheel van de bescherming van de sociaaleconomische rechten, of de welvaartsvastheid als waarborg (zie Moons, 2016).

Het gevaar van de juridische benadering is dat de aandacht voor mensenrechten enkel leidt tot een individualistische invulling. Er moet ook ruimte zijn voor een meer collectieve, emancipatorische benadering om de meest kwetsbare burgers op een eerlijke en waardige manier te laten participeren aan de samenleving. Nu is het discours vaak dat ze eerst heel wat stappen moeten zetten vooraleer ze de kans krijgen toe te treden tot de samenleving (Lemmens, 2018).

6. Op zoek naar sociale rechtvaardigheid via de mensenrechten en de grondrechten

Is er een verband tussen recht en rechtvaardigheid en hoe krijgt dat verband vorm? Of is er integendeel sprake van een verschil? Spreken we dan over mensenrechten of over rechtsbescherming, of nog andere concepten? Zien we recht vooral als instrument om maatschappelijke doeleinden te realiseren of als waarborg voor de (rechten van de) burger?

We bevinden ons duidelijk in de sfeer van de zogenaamde “Essentially Contested Concepts”. We zijn het er allen over eens dat rechtvaardigheid moet worden nagestreefd, maar hoe we dat invullen in operationele zin, daarover is heel wat minder consensus. Rechtvaardigheid wordt vaak gezien als een streefdoel, dat het recht (als middel) tracht na te streven. Toch kan men zich afvragen: waarom beantwoorden het geldend recht en het rechtssysteem niet (altijd) aan de eisen van rechtvaardigheid? Kinneging schrijft: “ (…) het recht verwordt, zonder de bezieling door de rechtvaardigheid, tot niet veel meer dan een geheel van willekeurige, onderdrukkende en uitbuitende regels. Het is in wezen onrecht” (Kinneging, 2005, 111).

Wat we onthouden is wat Scholten zei: we kunnen niet uitdrukken wat uiteindelijk rechtvaardigheid is, wel wat onrechtvaardig is. Ricoeur noemde het “le sentiment d’injustice”, en dit gevoel is “plus vif que le sens de justice” (zie ook Bossart, 2014, 115-116). Zoals Camus schreef: “La vérité jaillira de l’apparante injustice » in La Peste : wat onrechtvaardig is valt zo op dat het ons leidt naar (een vermoeden van) de waarheid en de sociale rechtvaardigheid. Van belang is ook dat volgens het gezond verstand het rechtvaardigheidsidee eenvoudigweg kan neerkomen op « ieder het zijne gunnen en geven » en dat in sociale rechtvaardigheid steeds de idee van solidariteit vooropstaat. Het is opvallend hoe weinig aandacht het concept rechtvaardigheid krijgt in de juridische wereld. Dat heeft vooral te maken met het feit dat het recht vaak wordt gezien als een instrument om bepaalde doelen te bereiken, die dan politiek of maatschappelijk van aard zijn. Daarom hebben (“instrumentele”) juristen dan niet de neiging om het rechtvaardigheidsgehalte van die regelingen na te gaan.

Het rechtvaardigheidsconcept kent ook vele invullingen volgens de dimensie die men kiest: naast de Aristotelische benaderingen (gelijke gevallen gelijk behandelen en ongelijke gevallen ongelijk behandelen), verwijzen wij in deze context graag naar deze van Fraser. De “one fits all”-benadering is niet realistisch, omdat die te sterk uitgaat van de idee dat iedereen gelijk is en dus welzijn kan bereiken (Frazer, 2000). Mensenrechten zijn in die zin juist niet universeel, omdat differentiatie –volgend uit ongelijke situaties- noodzakelijk is. Fraser argumenteert dat rechtvaardigheid in twee met mekaar samenhangende betekenissen kan worden begrepen: distributieve rechtvaardigheid (in termen van een meer evenwichtige verdeling van de middelen en mogelijkheden) en de erkenningsrechtvaardigheid (“the justice of recognition” (de gelijke erkenning van verschillende identiteiten en groepen in een samenleving). Daaruit volgen twee mogelijke vormen van onrechtvaardigheid, dat is “maldistribution” (onrechtvaardige verdeling) en “misrecognition” (niet-erkenning van identiteiten en groepen). Ze stelt ook dat in de jaren 1960 en 1970 van de vorige eeuw veel sociale bewegingen streden voor de erkenning op basis van ras, gender, seksualiteit of ethniciteit en de focus op correcties ten aanzien de niet-erkenning het belang om te werken aan de voortdurende onrechtvaardige verdeling wat verborgen heeft gehouden. Op die manier werd er dus ook te weinig geijverd om de schadelijke gevolgen van het neoliberale kapitalisme en de groeiende ongelijkheid in veel samenlevingen aan te pakken (zie vooral: Fraser, 2000)

Wat de maatschappelijke inbedding van de mensenrechten betreft zijn de rechtssociologie en sociaal-wetenschappelijke studies tot het besluit gekomen dat een strikt juridische benadering over de implementatie van de mensenrechten duidelijke beperkingen heeft: ten eerste is het beroep op de rechtbanken wanneer mensenrechten niet worden nageleefd vaak hypothetisch; ten tweede, omdat de sociale grondrechten ook verantwoordelijkheden om de voorziening van grondrechten en collectieve goederen bepalen en dus ook inspanningen vragen vanwege de overheid, is dit niet evident;  ten derde, omdat heel wat mensenrechten te maken hebben met collectieve, structurele aspecten en daarbij is de juridische aanpak slechts een gedeeltelijk antwoord; ten vierde, goed functionerende rechtbanken, met de nodige legitimiteit hangen sterk af van de specifieke politieke en economische omstandigheden (stabiliteit, corruptie, budgetten) en vaak zijn deze pre-condities niet aanwezig (Madsen & Verschraegen, 2013, 9-11; Fredman, 2002 en 2008; Hubeau, 2015). Het is evident dat het sociaal werk bij de zoektocht naar oplossingen in dit verband een cruciale rol kan spelen.

De grondrechten dienen dus om sociale rechtvaardigheid te benaderen, maar daarnaast is ook een sociaal beleid nodig, waarin sociale grondrechten een plaats hebben. Sociaal beleid zal doorgaans als doelstellingen hebben: de herverdeling van de welvaart, het management van risico’s en het nastreven van emancipatorische doelstellingen: die laatste worden volgens Hermans vaak vergeten (Hermans, 2009, 136-137). Sociaal werk heeft vooral als taak het sociaal beleid uit te voeren en mee vorm te geven. Het sociaal werk is echter meer dan wat Donzelot (1972) noemt moralisering en normalisering (het bannen van immoreel gedrag en aanwijzen wat normaal is in de samenleving), wat ook al eens het “conformistisch” sociaal werk wordt genoemd. We wezen er al op dat in het beroep een normatieve dimensie zit, maar daaraan worden el heel zware consequenties: zo stelt Dominelli (2004) dat het sociaal werk geen deel uit kan maken van de overheid, indien het wenst aan de structurele oorzaken van uitsluiting wil werken. De vraag rijst of een “autonoom” welzijns– en sociaal werk wel haalbaar is (eerste vraag), maar vooral of dit dan wél deze doelstellingen zou nastreven en/of waarmaken (tweede vraag).

En hier botsen we dan op een “scholenstrijd” in het sociaal werk-beroep. Uiteraard is er een mate van consensus dat het sociaal werk focust op de wisselwerking tussen individu en omgeving, zijn interpersoonlijke relaties en de invloed van de samenleving, haar instituties en voorzieningen, op zijn functioneren. Maar dan is de vraag: op welk niveau moet er worden geïnterveniëerd of nog: moet er geïndividualiseerd of gecontextualiseerd worden; of nog: kiezen we voor de individugerichte approach of de activistische approach (Kunneman, 1996; Hermans 2009)? Daarom spreekt Dominelli (2002) over een bepaald type sociaal werk, namelijk de emancipatorische of “anti-oppressive practice”, gericht op een bijdrage aan de sociale rechtvaardigheid, en ipso facto gericht op veranderingen, niet enkel bij het individu, maar noodzakelijkerwijze ook in de samenleving). De eerste is een kleine utopie, de tweede een grote utopie.

Terug naar ons thema. De vraag die daaruit voortvloeit is: gebruik je en hoe gebruik je mensenrechten in dit verband? De spanningsvelden in de mensenrechten sporen dus duidelijk ook met strekkingen en scholen in het sociaal werk. Welnu, wie grondrechten en menselijke waardigheid centraal stelt, zal naar onze mening de structurele dimensie in het sociaal werk moeten accepteren. Maar moet iedere sociaal werker doordrongen zijn van, respectievelijk werken aan sociale rechtvaardigheid. Opdat personen zich met een beroep en het object daarvan zouden kunnen identificeren, moeten ze daaraan een “intrinsieke waarde” toeschrijven, een intrinsiek belang, ook indien zij die intrinsieke waarde verre van verwezenlijkt achten. Men moet minstens een idee van zorg, menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid (en de mensenrechten als middel) kunnen herkennen om aan het sociaal werk een zekere identiteit toe te schrijven die men ook tot de zijne kan maken (vergelijk met Raes, 1999 in verband met recht). Gezien de fragmentatie van het sociaal werk en de diverse profielen, zou men de stelling kunnen verdedigen dat deze diverse invullingen aan de genoemde intrinsieke waarden in de breedte vorm geven. Wij zijn het daarmee niet eens. Elke sociaal werker zou minstens van de essentiële intrinsieke waarden een idee moeten hebben, meer nog zich ermee kunnen identificeren.

Een professionele besluitvorming vereist kennis van het recht, maar de technische toepassing ervan moet kritisch benaderd worden. De professional moet beseffen dat individuele oplossingen soms de nood aan sociale verandering miskennen. Ethische referentiekaders kunnen zowel de juridische regels als het doel om te interveniëren bevragen. En om die redenen kan het een bepaalde juridische actie eerder rechtvaardigen dan een andere, zo stellen Braye en Preston-Shoot (Braye & Preston-Shoot, 2009; zie ook Gibens, 2013, 30-32). Ze hebben het over een rationeel-technische benadering op basis van accurate kennis (Doing Things Right), een moreel-ethisch perspectief met een zoektocht naar ethisch handelen (Doing Right Things) en een structurele op rechten gebaseerde benadering, gericht op sociale verandering via een bevordering van de mensenrechten en de sociale rechtvaardigheid (Rights Thinking) (Braye & Preston-Shoot, 2009).

7. Op zoek naar een rechtenbenadering als uitgangspunt om de (grond)rechten toegankelijker en effectiever te maken

Lange tijd is de vraag hoe sociale bewegingen en middenveldorganisaties het recht gebruiken buiten beeld gebleven, mede doordat kritische sociologen een soort wantrouwen koesterden ten opzichte van het recht in de 20ste eeuw. Sinds 30 jaar is dit wel grondig veranderd. Zowel in het beleid als bij de handelingskaders van sociale organisaties wordt het recht gebruikt om de eigen doelstellingen en belangen te dienen. De perceptie van het recht wordt een topic, samen met de ambivalentie en de interne pluraliteit van rechtsbronnen. In dit kader ontstond een stroming, die al eens “Strategic Litigation” wordt genoemd. De rechtenbenadering (“rights-based approach”) is –net zoals de mensenrechten- populair, maar toch iets minder dan de mensenrechtenbenadering in het sociaal werk. Opnieuw moeten we vaststellen dat het concept in verschillende betekenissen wordt gebruikt.

Wij zien vooral drie benaderingen, die eigenlijk naast mekaar bestaan. Ofwel gaat de rechtenbenadering om een schets van de juridisering van de samenleving in positieve en negatieve zin. In deze betekenis worden de grondrechten in een rechtenkader niet zozeer als handelingskader benaderd, maar gaat het eerder om een beschrijving een trend in de samenleving (met name de creatie van subjectieve rechten). Een element van de rechtenbenadering is een analyse van een meer en meer op rechten gebaseerde organisatie van het sociaal beleid. Naast de algemene trend van gunst naar recht is er de meer recente trend van de bedreiging van de rechten in het sociaal beleid.

Nachtergaele e.a. hebben het in dit verband over de creatie van een “hybride vorm van sociaal werk”, dat bestaat uit een mix, een combinatie van elementen van de gunstbenadering en van de rechtenbenadering (Nachtergaele, e.a. 2017, 36): de wijziging is –zo wordt terecht opgemerkt- niet radicaal. De grondslag voor de grondrechten blijft ongewijzigd; het is de uitvoering die ze uitholt. Hierbij staan de mensenrechten zelf niet ter discussie: de juridische grondslag wordt bijvoorbeeld niet gewijzigd, wat ingevolge het standstill-beginsel overigens niet mogelijk is. Het gaat eerder op de invulling van de mensenrechten in concrete reglementering (zie in dit verband ook Pannecoucke, De Graeve & Saffre 2017, 3-4). De omzetting van een gunst naar een recht heeft voor de bijstandspraktijk diverse uitdagingen.

De tweede betekenis ziet de rechtenbenadering als een handelingskader voor juridische en sociale professionals om systematisch of –wellicht komt dit meer voor- in bepaalde omstandigheden expliciet op rechten een beroep te doen om problematische situaties op te lossen, een beweging die inhoudt dat ervoor gekozen worden om via de juridische weg te gaan om sociale rechtvaardigheid te bereiken (Room, 1990 en 1991). In deze tweede benadering is het beroep op het recht normatief bedoeld, als een (specifiek en naast andere bestaand) handelingskader om de sociale grondrechten te realiseren (zie ook Hubeau, 2017). Het gaat om een “strijd via het recht”. Een voorbeeld van die rechtenbenadering in het kader van het recht op wonen is wat het Vlaams Huurdersplatform (vroeger Vlaams Overleg Bewonersbelangen) onderneemt in verband met recente wijzigingen in het sociaal huurstelsel in 2017, waarbij rechtbanken dan gebeurlijk “agents of social transformation” worden (zie ook Bell & Paris, 2017).

Een derde benadering zouden we de (mensen)rechtenbenadering als dominant globaal paradigma willen noemen, waarbij het concept mensenrechten in een niet louter juridische betekenis wordt gebruikt en samenvalt met “gewone” rechten enerzijds en een maatschappelijke functie wordt toebedeeld anderzijds. Nachtergaele e.a. gaan uit van een sociaal-constructivistische visie op en benadering van de mensenrechten, met een impact op de hele samenleving, als een globale visie en als verklaring voor de samenleving, én als globale toekomstvisie. Maar deze benadering moet volgens ons hand in hand gaan met de inachtname van de functionele en juridische context van de mensenrechten. Wellicht kunnen niet alle problemen met de methode van de mensenrechten worden opgelost. Te weinig wordt in die benadering bekeken of het betreffende mensenrecht reëel en effectief is. Zowel ideële als meer erkende en geformaliseerde mensenrechten worden op eenzelfde manier behandeld en gebruikt en tegelijkertijd geïdealiseerd, terwijl ze vaak slechts streefdoelen zijn. Daarom is het gevaar van deze benadering dat de mensenrechtenbenadering té alomvattend, te breed, te algemeen, te holistisch is. Hier wordt een quasi-“platonisch” beeld gecreëerd van twee werelden, de reële wereld en de wereld van de ideeën, dus moeilijk realiseerbaar. Je zou kunnen stellen dat het beroep op de mensenrechten in het sociaal werk “nuttig” moet zijn, zowel bij individuele situaties, als in collectieve context, en niet enkel als ideale situatie van een “nog te bouwen toekomst” of een “in aanbouw zijnde toekomst”. We moeten opletten dat dit te omvattend karakter van de benadering geen verlammende werking heeft op de professionals, ook de sociaal werkers dus, omdat het de lat zeer (te?) hoog legt. Soms lijkt er soms ook wat te veel uitgegaan te worden dat alle erkende rechten ook mensenrechten zijn.

Wat is er zeker positief aan de mensenrechtenbenadering als we naar deze visie van Reynaert e.a. kijken als kompas voor het sociaal werk? De systeemwereldgerichtheid, waardoor het puur individuele wordt overstegen. Ook het leefwereldgericht handelen, het participatief, het politiserend en het ontgrenzend handelen in de betekenis die Nachtergaele e.a. eraan geven (Nachtergaele, e.a. 2017, 47 e.v.), kan zinvol richtinggevend zijn, maar opnieuw wordt de vraag te weinig beantwoord hoe mensenrechten daaraan vorm kunnen geven.

Bij de ontwikkeling van mensenrechten als paradigma passen nog enkele bedenkingen. Vaak worden ze vandaag uitgedrukt in de taal van de formele individuele rechten, meer dan “bijvoorbeeld in de taal van solidariteit of liefdadigheid. Dat resulteert vaak ook in een rechtstechnische benadering, alsook een individuele slachtofferretoriek (Verschraegen, 2009). Wat we eerder het (soms overdreven) individualistisch karakter van mensenrechten noemden, ziet Onfray als het feit dat de mensenrechten tegenwoordig dienen “à déconstruire l’homme universel au profit des égoïsmes atomisés” (Onfray 2018, 56). Het gaat voor mensen–net zoals Camus dat eerder beschreef- om de concrete meer dan de transcendentale rechtvaardigheid. Verschraegen stelt terecht de vraag of individuele claims wel echt in rechtstermen moeten worden uitgedrukt. Heeft niet iedereen de plicht om anderen te ondersteunen en te respecteren? In sociaal-werktermen gesteld: heeft de sociaal werker niet de beroepsplicht om maatschappelijk zwakkeren te ondersteunen? Moeten we dat in termen van rechten uitdrukken en waarom?

Wat is een ander mogelijk gevaar? Er bestaat een tendens om de idee van gelijke mensenrechten volledig te depolitiseren (denk aan de diverse verklaringsmodellen voor armoede). Het structurele, collectieve en “politiserende” karakter, en de gerichtheid op sociale verandering, ontbreekt dan. Zo zijn derhalve individuele basisrechten een voorwaarde voor inclusie, maar ze vervangen geenszins de nood aan een bredere politieke en sociale actie (Verschraegen, 2009).

Samenvattend kan het volgende worden gesteld. Het blijft dus zinvol om tijdig een beroep te doen op het recht om situaties, die de sociale rechtvaardigheid schenden, aan te pakken. Ons idee is dat de rechter enerzijds en het justitieel systeem anderzijds ervoor moeten zorgen dat ze aan deze eisen en voorwaarden voldoen (aandacht voor ruimere context, toegankelijkheid, …). Deze kritiek op de mensenrechten mag dus hoe dan ook niet geïnterpreteerd worden als een wantrouwen ten aanzien van de rol die de mensenrechten kunnen spelen in het sociaal werk: we mogen het kind niet met het badwater weggooien, maar wel een correcte invulling geven aan de rechtenbenadering.

8. Op zoek naar “kleine” en “grote” utopieën. Opdrachten voor het sociaal werk als sociale rechtvaardigheids-beroep

We gaan wat dieper in op een aantal voorstellen, die de vorm kunnen aannemen van een kleine of een grote utopie (Achterhuis, 2016). Achterhuis heeft zich in het kader van de verjaardag van de Utopia van Thomas More bezonnen over een modernere invulling van het begrip. Hij stelt: “de tijdsgeest is veranderd. Ik wil er geen misverstand over laten bestaan dat de grote utopie van een totaal andere samenleving voor mij nog steeds uit den boze is. Maar zonder kleinere utopische experimenten en ideeën dreigt de kapitalistische utopie ons te verlammen” (Achterhuis, 2016, 175-183). Dat hij voor deze mini-utopieën nu juist inspiratie vindt bij Thomas More, is voor hem één van de grootste verrassingen van zijn hernieuwde zoektocht door Utopia.  Misschien moeten we het ergens tussenin zoeken: kleine(re) utopieën, maar toch stelselmatig gericht op een groter ruimer ideaal van een meer rechtvaardige en op menselijke waardigheid gestoelde samenleving. Want de “mini-utopieën, de zusjes van Utopia, de incomplete utopieën” zijn “ook georiënteerd op de toekomst” (Achterhuis, 2016, 180). En er moet ruimte zijn voor revolte en opstand, die rekening houdt met de concrete situatie van mensen en groepen (Camus, 1951).

We zijn allemaal op zoek (zowel individueel als professioneel) naar menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid, en daarbij helpt het verwerven en behouden van grond- en mensenrechten. Wie is er niet naar op zoek, zeker in de sociale sector? Welke professionals zijn er niet op zoek? We denken aan sociale werkers, maar ook juristen, artsen, psychologen. Maar wat is dan het onderscheidend karakter van de ene tegenover de andere professie? Dat is de wijze waarop, de methode waarmee deze algemene doelen worden nagestreefd, bereikt. Maar opnieuw: er bestaat geen eenheid van methode, wel een methodenpluralisme. Er zijn doelen aan de ene kant, en middelen/methodes aan de andere kant. Als er consensus is over de doelstellingen kan sprake zijn van een gezamenlijke actie, maar toch is blijkbaar niet iedereen het eens met de doestellingen (Van Crombrugge, 2018). Hoewel … over bepaalde basiswaarden is dit wellicht wel het geval. We moeten dus naar een én-én-verhaal, zowel individuele als structurele invulling van mensenrechten en het koppelen van beide. Deze bipolariteit zit verscholen in heel wat benaderingen, ook in het recht: beleid versus bescherming, individueel en structureel.

8.1. Loop niet weg van het mensenrechtenperspectief: leid sociaal werkers erin op

Mensenrechten zijn een kompas, maar ze zijn nooit voor eens en voor altijd verworven: ze zijn niet per se een rustig bezit. In dat verband heeft het sociaal werk heeft een signaalfunctie. De realisatie heeft – ook al zijn er de beginselen van progressieve realisatie en standstill – een permanente waakzaamheid nodig (zie ook Verschraegen, 2009, 169).

Bij het inkijken van de curricula van de sociaal werkopleidingen zien we dat er vrij weinig aandacht is voor de juridische aspecten van de mensenrechten. Wanneer een plichtvak “grond- en mensenrechten” wordt ingevoerd in de opleiding sociaal werk is het goed ook aandacht te hebben en minstens een inleiding te programmeren over de juridische aspecten en de rechtstechniek van de mensenrechten: erkenning, afdwingbaarheid, horizontale en verticale werking, progressieve realisatie, standstill-beginsel, bevoegde instanties, bevoegde rechtscolleges, rechtsbescherming, enzomeer.

8.2. Volg de 6 (of de 9?) van 23 op je kompas: koester de negen grondrechten in artikel 23 van de Grondwet en verban de armoede de wereld (zoveel mogelijk) uit

Het gaat hier om de zes grondrechten van artikel 23 van de Grondwet, die sinds 1994 in de Grondwet zijn opgenomen. Het zesde grondrecht over de gezinsbijslagen dateert van 2015. Laat ons ze ruim interpreteren en ertoe bijdragen en bewaken dat ze effectief worden gerealiseerd, maar met realisme. Eigenlijk kan men mijns inziens spreken over 9 grondrechten, omdat sociale, geneeskundige en juridische bijstand onderscheiden types van grondrechten zijn en als volwaardig dienen te worden beschouwd. Verban mee de armoede uit de wereld als extreme vorm van schending van mensenrechten en menselijke waardigheid.

8.3. Bewaak op permanente manier de effectiviteit van (mensen)rechten: een nieuwe generatie mensenrechten?

Door de juridisering is het pakket aan voorzieningen sterk uitgebreid, maar vaak onvoldoende bekend en dus ondergebruikt door de doelgroepen: dat leidt tot onderbescherming en non take up van rechten. Ook hier moeten sociale werkers zich laten horen, zegt Verzelen: waar zitten tekortkomingen, anomalieën, overbodige regels? (Verzelen, 2005). Dat is –zoals Reichert het noemt- “enhancing effectivity” van mensenrechten (Reichert, 2001, 48). Dit toezicht kan zich ook richten op de genoemde juridische concepten verbonden aan het mensenrechtendenken, met name: signaleren van schendingen van het standstill-beginsel; signaleren van schendingen van de menselijke waardigheid in concrete en structurele situaties en zoeken naar oplossingen (bijvoorbeeld taalkennis in de sociale huur); benchmarken en monitoren van de progressieve realisatie van de sociale grondrechten; is er vooruitgang geboekt inzake effectiviteit van grondrechten en is er wel degelijk sprake van progressieve realisatie?

Mogen we dromen van een soort nieuwe vierde generatie grond- en mensenrechten, nl. de periode van de erkenning van de “effectieve/concrete/day to day grondrechten”?

8.4. Combineer in het (mensen)rechtenperspectief het structureel én individueel werk

Sociaal werk is niet enkel interveniëren in probleemsituaties, zo stelden we eerder, het realiseren van persoonlijke, “kleine utopieën” in de betekenis die Hans Achterhuis eraan. Door het sociaal werk kan het individueel karakter van oplossingen leiden tot meer collectieve structurele oplossingen die één of meer grondrechten versterken: dat leidt in sommige gevallen tot “grote” utopieën. Combineer vooreerst een algemene en een concrete, casuïstische visie op rechtvaardigheid en bouw op één of andere manier een “rechtvaardigheidstoets” in bij nieuwe of wijzigende regelgeving. Die toets verschilt uiteraard ook essentieel van het nazicht door de Raad van State, een legaliteitscontrole.

8.5. Hanteer een ethisch perspectief bij oplossingsgericht en structureel werken

We pleiten voor het hanteren van het concept van de menselijke waardigheid als toetssteen en algemeen referentiekader bij alle handelingen die worden gesteld bij de uitoefening van het sociaal werk. Gebruik sociale grondrechten ook als kompas bij de invulling van de zogenaamde “discretionaire ruimte”, maar creëer geen onmogelijk te realiseren verwachtingen. De invulling van de discretionaire ruimte: toch zo objectief mogelijk, vertrekkend vanuit regelgeving, maar met oog voor ethische principes. Is afsluiting van energie, al dan niet in de winter, niet strijdig met de menselijke waardigheid, anno 2018 in onze Vlaamse welvaartstaat?

8.6. Streef naar een gemeenschapsgerichte invulling van de mensenrechten

Sociaal werk moet er echter over waken dat de invulling van burger- en mensenrechten niet vervalt in puur individualisme: wel respect uiteraard voor individuele autonomie en persoonlijke zelfbeschikking, maar gekoppeld aan maatschappelijke verantwoordelijkheid en solidariteit. Daarbij kunnen we verder zoeken naar meer op “commons” gerichte inspanningen. Achterhuis neemt ze als “centrale waardenoriëntatie”, waarbij het economische en de vrije markt als utopie niet meer allesoverheersend zijn en waarvan de inhoud nauwkeurig omschreven is. Deels gaat het om de herovering en verdediging van traditionele ruimtes en activiteiten, deels ook om de verovering van nieuwe vormen van gemeenschap: “vooral voor dat laatste is de utopische inspiratie onmisbaar” (Achterhuis, 2016, 182-183).

8.7. Blijf werken aan het slechten van drempels en hindernissen op de weg naar de verkrijging van rechten

Onderbescherming en ondergebruik is vaak het gevolg van drempels en hindernissen op de weg naar het verkrijgen van rechten. Het slechten ervan blijft een permanente opdracht. Automatische rechtentoekenning kan deels oplossing bieden, maar niet altijd, zo blijkt uit onderzoek. Bovendien blijkt voor bepaalde doelgroepen –en waarom niet in het algemeen?- de “human touch” essentieel.

8.8. Investeer in een maatschappelijk verantwoorde sociaal-juridische praktijk in functie van een “vermenselijking” van justitie

Niet enkel omwille van het eerder aangetoonde belang van de (mensen)rechtenbenadering, maar in het algemeen is meer samenwerking met de juridische sectoren en actoren van belang. Daarbij moeten initiatieven wel vanuit beide optieken komen. Samenwerking is daarbij essentieel. Sommigen gewagen van een postprofessionalisme, waarbij taken in een bepaald (begeleidings- of hulpverlenings-)traject veel meer door verschillende actoren worden opgenomen (”unbundling”). Een toenadering tussen de twee professies zou kunnen door samen te werken in een interdisciplinair team (de nadruk ligt dan op interdisciplinariteit), maar ook door in beide professies meer elementen van de andere discipline aan bod te laten komen (sociaal werk voor juristen; en recht voor sociaal werkers; de nadruk ligt dan op intradisciplinariteit) (Gibens, 2013; Gibens & Hubeau, 2013).

8.9. Maak sociale grondrechten “intelligible” voor iedereen en maak de concrete rechten die daaraan verbonden zijn realistisch voor de kwetsbare groepen

Zoals Reichert de twee centrale functies van het sociaal werk in de mensenrechten ziet gaat het in de eerste plaats om “achieving greater understanding” (naast “enhancing effectiveness”) (Reichert, 2001, 48).

8.10. Gebruik de elementen van procedurele rechtvaardigheid maximaal om inhoudelijke sociale rechtvaardigheid te bereiken

De enkele jaren geleden ingevoerde beperkte vorm van “class actions”, collectieve vorderingen is één van de middelen om dit te doen. Tot nog toe was deze werkwijze vooral bekend in de Verenigde Staten, maar stilaan bouwen Europese rechtsstelsels dit in hun rechtsbeschermingssysteem in. Daarbij is het mogelijk structurele aspecten uit het sociaal beleid voor velen vooruit te helpen, uiteraard indien de rechterlijke macht mee wil.

9. Tot slot even terug naar Albert Camus: het sociaal werk is een sociale rechtvaardigheidsberoep

Mensenrechten worden erkend, opgenomen in teksten en toch worden ze niet volledig gerealiseerd; het recht is op zich onvoldoende. Hoever staan we met de revolte? Hoever staan we met de maat en de solidariteit? Hulpverlening en (aandachtzame) zorg moeten groeien vanuit algemene structurele objectieven: koude en ware solidariteit. Grondrechten kunnen daarbij voor de sociaal werker dienen als kompas, want zijn beroep is een sociale rechtvaardigheidsberoep.

Referenties
  1. Achterhuis, Koning van Utopia. Nieuw licht op het utopisch denken, Rotterdam, Lemniscaat, 2016.
  2. Achterhuis, Albert Camus. De moed om te leven, Utrecht, Ambo, 1969.
  3. Arendt, The Human Condition, Chicago, University Press, 1958.
  4. Beck & N. Sznaider, “A literature on Cosmopolitanism: an Overview”, British Journal of Sociology 2006.
  5. Bell & M.L. Paris, Rights-Based Constitutional Review, London, Elgar, 2017.
  6. Bernard & B. Hubeau, Recht op wonen: naar een resultaatsverbintenis? Droit au logement: vers une obligation de résultat?, Brugge/Brussel, Die Keure/La Charte, 2013.
  7. Blok, Inleiding Social Work vanuit internationaal perspectief, HBUitgevers, 2009.
  8. Bouverne-De Bie & H. van Ewijk, Sociaal werk in Vlaanderen en Nederland: een begrippenkader, Mechelen, Kluwer, 2008.
  9. Bossart, Zonder vandaag morgen geen gisteren, Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2014.
  10. Braye & M. Preston-Shoot, “Social Work and the Law”, in R. Adams, L. Dominelli & M. Payne (ed.), Critical Practice in Social Work, Hampshire, Palgrave MacMillan, 2009, 90-102
  11. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet? Voorstudie ten behoeve van de Staatscommissie Grondwet, Alphen aan de Rijn, Kluwer, 2010.
  12. Camus, L’homme révolté, Parijs, Gallimard, 1951.
  13. Claessens, Een geschiedenis van sociaal werk, Berchem, EPO, 2017.
  14. Claessens, Mensenrechten uithollen is historische trendbreuk. Verleden, heden en toekomst van sociaal werk, sociaal.net 26 februari 2018.
  15. Cools & P. Raeymaeckers, “Het empatisch teveel. Op naar een werkbare onverschilligheid”, Sociaal.net, 5 februari 2018.
  16. Debruyne & H. Grymonprez, “Sociale professionals moeten positie innemen. De kracht van mensenrechten voor het sociaal werk”, Sociaal.Net 5 maart 2018.
  17. Devisch, Het empatisch teveel. Naar een werkbare onverschilligheid, Amsterdam, De Bezige Bij, 2017.
  18. Dominelli, “Anti-oppressive practice in context”, in R. Adams, L. Dominelli & M. Payne (ed.), Social Work. Themes, issues and critical debates, Basingstoke, Palgrave & Mc Millan, 2002, 3-19.
  19. Dominelli, Social Work: Theory and Practice for a Changing Profession, Cambridge, Polity Press, 2004.
  20. Donzelot, “Travail social et lutte politique”, Esprit: Pourquoi le travail social?, april-mei 1972.
  21. Fraser, “Rethinking Recognition”, New Left Review 3, Mei-juni 2000.
  22. Fredman, Human Rights Transformed. Positive Duties and Positive Rights, Oxford, University Press, 2008.
  23. Fredman & M. Campbell, Social and Economic Rights and Constitutional Law, London, Elgar, 2017.
  24. Gibens, “Recht in het sociaal werk. Hoe sociaal werk tot zijn recht kan komen”, Alert 2013/1, 29-36.
  25. Gibens & B. Hubeau, “Naar een maatschappelijk verantwoorde rechtshulpverlening: juridische bijstand in België aan een grondige herziening toe?”, Panopticon 2013, 3, 162-181.
  26. Halliday & P. Schmidt (ed.), Human Rights Brought Home. Socio-Legal Perspectives on Human Rights in the National Context, Oxford, Hart, 2004.
  27. Hartman, J. Knevel & D. Reynaert, “Stel mensenrechten centraal in het sociaal werk!”, Sociaal.net 26 mei 2016 (http://sociaal.net/opinie/mensenrechtenberoep).
  28. Hermans, “De complexe relatie tussen sociaal werk en sociaal beleid ontrafeld”, in J. Brodala, G. Cuypers, A. Deville & G. Van den Eeckhaut (ed.), Met een dubbele lus. Prikkelend nadenken over sociaal werk, Leuven, Garant, 2009, 131-146.
  29. Hubeau, “Recht en rechtvaardigheid: naar een recht van de mensen door de mensen van het recht”, in Justitie 2020. Uitdagingen voor de toekomst, Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2017, 15-40.
  30. Kinneging, Geografie van goed en kwaad. Filosofische essays, Utrecht, Spectrum, 2005.
  31. Kunneman, Van Theemutscultuur naar Walkman-ego, Boom, Meppel, 1996.
  32. Lemmens, “Recht en literatuur: een uitweg voor juristen met een tunnelvisie”, in E. Dirix & Jura Falconis (ed.), Interdisciplinariteit in het recht. Law and … bewegingen in het privaatrecht, Mortsel/Leuven, Intersentia/KULeuven, 2018, 93-110

M.R. Madsen & G. Verschraegen (ed.), Making Human Rights Intelligible, Onati, International Series in Law & Society, 2013.

  1. Moons, The right to housing in Flanders-Belgium. International human rights law and concepts as stepping stones to more effectiveness, doctoraat Universiteit Antwerpen, 2016.
  2. Moons & B. Hubeau, “Conceptual and practical Concerns for the Effectivity of the Right to Housing”, Onati Socio-Legal Studies 2016, vol.6/3, 1-19.
  3. Nachtergaele, D. Reynaert, H. Gobeyn, N. De Stercke & R. Roose, Sociaal werk en mensenrechten, Leuven/Den Haag, Acco, 2017.
  4. Nussbaum, Mogelijkheden scheppen. Een nieuwe benadering van de menselijke ontwikkeling, Amsterdam, Ambo/Anthos, 2016.
  5. Onfray, “Camus l’inspirateur”, Revue des deux mondes, februari-maart, 2018, 54-59.
  6. Pannecoucke, P.J. De Graeve & S. Saffre, “Sociale grondrechten en armoede op gespannen voet”, in W. Lahaye, I. Pannecoucke, J. Vranken & R. van Rossem (ed.), Armoede in België. Jaarboek 2017, Gent, Skribis, 2017, 1-22.
  7. Raes, Het recht van de samenleving, Brussel, VUBPress, 1999.
  8. Reichert, “Placing Human Rights at the Center of the Social Work Profession”, The Journal of Intergroup Relations 2001, 43-50.
  9. Reynaert, R. Roose & K. Hermans, “Sociaal werk is mede-maker van mensenrechten. Debat over kernwaarden woedt voort”, Sociaal.Net 26 januari 2018.
  10. Room, e.a., New Poverty in the European Community, Londen, Macmillan, 1990.
  11. Room, e.a., National Policies to Combat Exclusion, European Community Observatory, Brussel, 1991.
  12. Van Crombrugge, “Sociaal werk is geen mensenrechtenberoep. Zorgzame aandacht is de kernwaarde”, Sociaal.net 25 januari 2018.
  13. van Ewijk, F. Spierings & R. Wijnen, Basisboek sociaal werk. Activeren en verbinden, Den Haag, Boom/Lemma, 2012.
  14. van Ewijk, F. Spierings & R. Wijnen, Basisboek sociaal werk. Activeren en verbinden, Den Haag, Boom/Lemma, 2012.
  15. Verschraegen, “De taal van de mensenrechten. Macht en onmacht van een rechtenbenadering in het sociaal werk”, in Brodala, J., Cuyvers, G., Devillé A. en Van Den Eeckhaut (ed.), Met een dubbele lus. Prikkelend nadenken over sociaal werk, Antwerpen/Apeldoorn, Garant, 2009, 165-178.
  16. Verzelen, Sociaal werk. In- en uitzichten, Antwerpen/Apeldoorn, Garant, 2005.
  17. Weymans, Recht en samenleving anders bekeken. Filosofische perspectieven, Leuven/Den Haag, Acco, 2017.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s