(53) Het empathisch teveel. Op naar een werkbare onverschilligheid – boekbespreking + reactie van de auteur.

AUTEURS: Pieter Cools, Peter Raeymaeckers en Ignaas Devisch

THEMA: Filosofie en sociologie

OPMERKING: Deze boekbespreking + bijhorende reactie is, na goedkeuring, overgenomen van de website Sociaal.net (klik hier voor het oorspronkelijke artikel). De redactie van Mirari vindt dat deze correspondentie illustreert hoe mensen op een humane manier met elkaar in dialoog kunnen treden. Mirari wil met deze publicatie duidelijk maken dat ze elk initiatief steunt dat vertrekt van de kracht van de menselijke dialoog.

De Gentse hoogleraar filosofie Ignaas Devisch schreef een prikkelend boek over een overdaad aan empathie en het belang van onverschilligheid. Die tegendraadse insteek levert boeiend leesvoer op. Toch laat Devisch ook steken vallen. Hij springt nogal slordig om met het onderscheid tussen sympathie en empathie. De Amerikaanse socioloog Sennett schept hier meer klaarheid. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de praktijk en opleiding van sociale professionals.

Dat klopt niet

Politici van verschillende ideologische signatuur pleiten voor meer empathie: Barack Obama, Angela Merkel of, dichter bij huis, de Nederlandse fractieleider van GroenLinks Jesse Klaver en Open Vld-voorzitter Gwendolyn Rutten. Als we elkaar beter leren kennen, nemen onze empathische gevoelens vanzelf toe. Maatschappelijke problemen kunnen dan sneller opgelost worden.

Dat klopt niet, zegt Devisch. Onze empathische gevoelens schieten tekort als het gaat over een rechtvaardige verdeling van middelen en toegang tot rechten. Via wetenschappelijke literatuur en maatschappelijk relevante voorbeelden beargumenteert hij dat empathie een onvoldoende en in sommige opzichten onwenselijke basis is voor maatschappelijk bestuur.

Geen wondermiddel

Een beter inlevingsvermogen in de wereld van anderen is volgens Devisch dus geen wondermiddel voor maatschappelijke problemen. Hij plaatst spontane vormen van solidariteit die vaak inspelen op gevoelens van medeleven en de drang om goed te doen voor onschuldige slachtoffers en sukkelaars in een heel ander perspectief.

Sociaal beleid mag volgens Devisch niet afhangen van zo’n wispelturige, warme gevoelens. Om een gelijke behandeling en rechtvaardige verdeling te waarborgen hebben we nood aan koudere, geïnstitutionaliseerde solidariteit.

Het maakt niet uit of we mensen niet leuk vinden of er onverschillig tegenover staan. Rechten en procedures moeten op dezelfde manier worden toegepast. Of een loketbediende van een sociale huisvestingsmaatschappij al dan niet met je te doen heeft, mag geen invloed hebben op de toegang tot sociale huisvesting.

Empathie schiet tekort

We hebben dus nood aan structuren en procedures die toelaten om rechten onvoorwaardelijk te realiseren. Empathie, hoe waardevol ook, legt volgens Devisch onvoldoende de basis voor zo’n structuren.

Hij vindt dat pleidooi voor meer empathie ook vreemd. We stellen ons vandaag meer empathisch op dan ooit. Meer nog, we stellen ons te empathisch op.

Werkbare onverschilligheid

Daarom pleit hij voor ‘werkbare onverschilligheid’. Dat is “een noodgedwongen ontlasting van het morele systeem, opdat we niet aanhoudend empathisch hoeven te zijn met betrekking tot leed dat zich in de wereld voordoet en heeft voorgedaan”.

Onverschilligheid is een belangrijk aspect om onze complexe samenleving draaiend te houden. Ten onrechte krijgt het een negatieve bijklank.

Welkom boek

Door spanning te zetten op de relatie tussen empathie en onverschilligheid, draagt Devisch bij aan het debat over solidariteit. Die input komt van pas bij discussies over de hervorming van de welvaartsstaat of de opvang van vluchtelingen.

We verwelkomen dan ook zijn onderbouwd pleidooi in een tijd waar steeds meer selectiemechanismen een onderscheid maken tussen mensen die onze steun verdienen, en diegenen die dit mededogen niet verdienen. Deze bezorgdheid is terecht, het universele karakter van onze rechtsstaat wordt hiermee ondergraven.

Empathie en sympathie

Toch schiet het boek tekort in de zoektocht naar welke plaats empathie kan innemen in onze samenleving. Devisch schakelt empathie te makkelijk gelijk aan het kortstondige, emotionele gevoel van medeleven. Het is een gevoel dat inzoomt op individuele noodsituaties van slachtoffers. Volgens hem leiden die specifieke dramatische gevallen de aandacht af van het grotere plaatje.

Dat kan allemaal best waar zijn. Toch start een gedegen analyse van het belang van empathie best vanuit een helder onderscheid tussen empathie en sympathie. Dat onderscheid missen we. In het boek van Devisch worden beide termen door elkaar gebruikt, waardoor zijn analyse in de knoop raakt.

Verwarrend

In eerste instantie maakt Devisch wel een onderscheid. Sympathie wordt gedefinieerd als een ‘gevoel van medeleven’ en empathie als het ‘vermogen tot inleven’. Maar dat scherpe onderscheid tussen mee- en inleven, tussen gevoel en vermogen wordt niet aangehouden.

Hij gebruikt beide termen door elkaar en slaagt er onvoldoende in om het verschil te benadrukken. Uiteraard komen sympathie en empathie in de praktijk vaak samen voor. Maar als we hun plaats in de samenleving beter willen begrijpen, is een helder onderscheid noodzakelijk.

Sennett onderscheidt

De inzichten van de Amerikaanse socioloog Richard Sennett zijn zeer verhelderend. In zijn boek ‘Samen. Een pleidooi voor samenwerken en solidariteit’ stelt hij de vraag hoe je kan samenwerken in een complexe samenleving.

Sennett maakt het onderscheid tussen dialectische en dialogische conversaties. Dialectische conversaties willen tot een gemeenschappelijke deler en dus consensus te komen, een punt te vinden waarover men hetzelfde denkt. Dialogische conversaties leiden niet noodzakelijk tot een overeenkomst, maar wel tot een beter begrip van de situatie van de ander, zelfs al heeft men tegengestelde belangen.

Ik of de andere

Volgens deze socioloog is sympathie eerder gelinkt aan een dialectische en empathie eerder aan een dialogische uitwisseling.

Sympathie vertrekt steeds vanuit je eigen perspectief. ‘Ik voel je pijn’, legt de nadruk op wat ik voel. Het activeert mijn ego en verwijst naar wat ik belangrijk vind. Empathie legt daarentegen de nadruk op het erkennen wat voor een ander belangrijk is. Ik hoef dat niet even belangrijk te vinden of goed te keuren.

Warm en koud

Bij sympathie projecteer je jezelf op de ander. Bij empathie gaat het over de poging om door de ogen van de ander te kijken, wetende dat dit in realiteit nooit helemaal kan. Sympathie zoekt naar een vereenzelviging met de ander en focust dus op de gelijkenissen voorbij de verschillen. Empathie vertrekt vanuit een nieuwsgierigheid naar de beleving van de ander, wetende dat je daar op verschil zal stoten.

Hieruit volgt dat sympathie samengaat met een wij-gevoel, terwijl empathie wat afstandelijker is. Sympathie is warmer, emotioneler en sentimenteler. Empathie is wat koeler. Ook wanneer je iemand niet aardig of goed vindt, kan je nog steeds begrip opbrengen voor zijn situatie.

Niet scherp genoeg

Als we vanuit Sennett naar Devisch’ betoog kijken, dan blijkt dat Ignaas Devisch zijn kritische pijlen niet scherp genoeg zijn. Veel van zijn kritieken op de zogenaamde uitdrukkingen van empathie zijn eigenlijk gericht op sympathie.

Denk aan de spontane en emotionele reacties waarbij we aanwijsbare slachtoffers te hulp schieten. Of de woede die we voelen wanneer blijkt dat de begunstigden van onze liefdadigheidsacties toch niet onschuldig zijn. Al die gevoelens hebben meer te maken met het feit dat we ons met deze mensen identificeren en dachten dat ze het net als ons goed bedoelen. Minder met het feit dat we hun situatie en perspectief proberen te begrijpen.

Kraantje open of dicht

Devisch portretteert empathie als een spontane, haast intuïtieve, emotionele reactie. Het lijkt soms een kraantje dat enkel open of dicht kan. En wanneer het te lang open staat, loopt onze emmer over.

Sennett is genuanceerder. Empathie is een houding en een vaardigheid. Empathisch vermogen en de daaraan verwante dialogische competenties kunnen we trainen en verfijnen.

Wie zich oprecht engageert om de situatie en het perspectief van een ander te begrijpen, erkent het eigen perspectief, waardeoordeel en de drang tot identificatie. Nieuwsgierigheid naar het perspectief van de ander staat hierbij centraal, vanuit de wetenschap dat men de situatie van de ander nooit helemaal mag begrijpen. Dat schept ruimte om na te denken over hoe structurele mechanismen helpen verklaren waarom mensen zich in een problematische situatie bevinden en hoe ze er mee omgaan.

Tussen sympathie en onverschilligheid

Terug naar Devisch. Hij ontwikkelt zijn betoog als een reactie op het gemediatiseerd veld van donatiecampagnes, moraliserende online-discussies en luidruchtige uitingen van spontane solidariteit. Daar ziet hij, geheel terecht, valkuilen van lichtzinnige verontwaardiging en een naïeve lofzang van naastenliefde. Zijn boutade ‘empathisch teveel’ en zijn oproep voor werkbare onverschilligheid moeten we in die context begrijpen.

Hij stelt provocerend dat onverschilligheid de samenleving werkbaar maakt. Hij koppelt daar wel een voorwaarde van formaat aan: “Indien gekoppeld aan een overheid die haar middelen rechtvaardig probeert te verdelen.” We mogen hier niet zomaar van uitgaan. Meer burgerlijke onverschilligheid zal regeringen niet aansporen om een rechtvaardiger beleid te voeren.

Onsympathieke empathie

Devisch waarschuwt: empathie mag geen passe-partout van alle sociale verhoudingen worden. Waarom onze samenleving min of meer dwingen om nog meer liefdadigheid te ontwikkelen? Om een gelijkwaardige deelname aan de samenleving te waarborgen, is vooral een structurele herverdeling van middelen noodzakelijk.

We zijn akkoord. Maar misschien is er wel een plek weggelegd voor een minder emotionele, kortstondige vorm van empathie tussen sympathie en onverschilligheid, tussen naastenliefde en onpersoonlijke principes?

Devisch’ oproep voor meer onverschilligheid gaat voor ons dan ook te ver. We hebben vooral meer ‘onsympathieke empathie’ nodig. We moeten onze empathische vermogens leren gebruiken zonder dat onze sympathische gevoelens de overhand nemen.

Empathie en sociale professionals

Eerder schreven we op Sociaal.Net al hoe Sennett de dialogische benadering naar voor schuift als een manier om vanuit verschil tot verbinding en samenwerking te komen. We illustreerden dit aan de hand van voorbeelden uit het buurtwerk.

In deze praktijken bleek een dialogische houding belangrijk om de vinger aan de pols te houden bij buurtbewoners. Het is een manier om de eigen werking kritisch in vraag te stellen vanuit het perspectief van de bewoners. Het draagt dan ook bij tot sociale innovatie, door verschillende perspectieven en ervaringen in dialoog te brengen met sociale interventies en hun logica.

Dialogische vaardigheden

Empathie speelt een belangrijke rol in de praktijk van sociale professionals. Zij moeten schrijnende verhalen van mensen die uit de boot vallen verbinden met koude, onpersoonlijke structuren en procedures. Die laatste zijn niet perfect en moeten telkens bijgestuurd worden. Zonder die betrokkenheid van sociale professionals, slagen die structuren er vaak niet in om in concrete leefsituaties sociale grondrechten te realiseren.

Dialogische vaardigheden brengen empathie in de praktijk. Volgens Sennett gaat het over “het kunnen luisteren naar de noden van de ander zonder er mee samen te vallen. Het ontwikkelen van die vaardigheden vraagt veel oefening en reflectie. Daarbij is een stem nodig die niet assertief is maar ruimte geeft. Waarin empathie wordt gepraktiseerd en de ander ruimte wordt gegeven.”

Studenten op weg helpen

Aan het belang van een empathische houding en daarbij horende luister- en spreekvaardigheden wordt vandaag al veel aandacht geschonken in sociaalwerkopleidingen. Toch moeten deze opleidingen bij intervisie en stagegesprekken studenten nog meer uitdagen om een onderscheid te maken tussen sympathie en empathie.

Daarbij is het cruciaal dat studenten vooral leren empathisch handelen in hun praktijk. Dat is niet evident. Zo is het effect van empathisch handelen moeilijk te meten. De weg van empathie en dialoog is niet recht op recht. Er is ook geen duidelijk eindpunt. Het procesmatige ‘op weg gaan met de cliënt’ staat centraal, zonder dat dit a priori vertaald wordt in een concrete doelstelling.

Waar armen het woord nemen

In de praktijk van de sociale professional blijft een hoofdrol weggelegd voor empathisch handelen. Voor sociale professionals die werken met individuele cliënten lijkt dat logisch. Dat deze empathische houding ook noodzakelijk is in praktijken die werken aan structurele verandering wordt vaak minder gezien.

Het voorbeeld van Verenigingen Waar Armen het Woord Nemen toont duidelijk dat ook bij hun structurele beleidspraktijk een empathische houding noodzakelijk is. Eerst brengt men mensen in gelijkaardige levenssituaties samen in groepen waar men herkenning en erkenning vindt. Men gaat samen op zoek naar de oorzaken waarom mensen in armoede belanden en benoemt drempels tot volwaardige participatie. Op die basis bundelt men ervaringen om beleidsvoorstellen te formuleren die mensen in armoede ten goede komen.

Dagelijkse kost

Onsympathieke empathie is dus een cruciale basishouding van alle sociale professionals. Onsympathieke empathie laat toe om ook op een betrokken manier om te gaan met mensen die we niet sympathiek vinden, mensen die we niet begrijpen, mensen die niet op ons lijken en mensen wiens gedrag we niet volledig goedkeuren.

Voor veel sociale professionals is dat dagelijkse kost. Ze werken met mensen die niet in het maatschappelijk plaatje passen. Dat doen ze door met hen in dialoog te gaan, door hun eigen verwachtingen en voorkeuren niet voortdurend op de andere te projecteren. Ze luisteren en laten ruimte. Van dit soort empathie hebben we vandaag geen teveel, eerder te weinig.

De redactie van Sociaal.Net ontving op 5 februari 2018 onderstaande reactie van de auteur Ignaas Devisch:

Wiens empathie? Welk beleid?

Ik dank de beide auteurs – Peter Raeymaeckers en Pieter Cools – voor de moeite die ze hebben gedaan om mijn boek grondig te lezen en te bespreken en het bovendien in een debat binnen te brengen dat me nauw aan het hart ligt, dat van het sociaal werk. Ik zet graag het debat verder.

Volgens hen schiet mijn boek tekort in de zoektocht naar welke plaats empathie kan innemen in onze samenleving en schakel ik empathie te makkelijk gelijk aan het kortstondige, emotionele gevoel van medeleven dat zou inzoomen op individuele noodsituaties van slachtoffers. Na die kritiek volgt een interessante zin: ‘Dat kan allemaal best waar zijn, maar’. Die zin brengt me in verwarring: zijn de auteurs het hier met me eens maar willen ze het niet? Of zijn ze het niet met me eens, maar wat is dan hun punt?

Ik zou empathie te eng definiëren en vervolgens mijn definitie niet aanhouden. Het eerste verwijt is er eentje dat ik makkelijk kan terugkaatsen: het hele debat over empathie, voor zover er al een debat was, is net vertroebeld geraakt omdat empathie zowat alles en nog wat is gaan betekenen. Dat doen de auteurs ook want zelfs dialogisch luisteren is ook empathie. Waarom dan niet ons integrale morele leven aan empathie gelijkstellen? Maar wat zeg je dan nog?

Mijn definitie van empathie is inderdaad vrij strikt: Empathie is het vermogen je in te leven in en mee te voelen met wat je denkt dat de belevingswereld van anderen is. Dat maakt dat ik in navolging van Paul Bloom (Against empathy) ervan overtuigd ben dat empathie veel te veel is gaan betekenen waardoor het én warm én koud is, én abstract solidair én persoonsbetrokken.  En dan wordt het inderdaad ook een attitude die je kan trainen, etc.

Goed, we kunnen blijven de discussie voeren over de definitie maar ik pleit voor een principiële inperking van het begrip empathie omdat het inderdaad in origine vooral gaat om wat ik noem onze morele onderbuik. En die neemt andere beslissingen dan op rationele overweging gebaseerde criteria. Ik pleit om een duidelijk onderscheid tussen die beide te maken en zo het debat op scherp te stellen: is het toevallig dat ik een tijd waarin voor meer empathie wordt gepleit tegelijk de solidariteit wordt ondergraven? Mijn antwoord luidt neen. Waarom? Omdat de maatschappelijk problemen steeds meer worden geïndividualiseerd – het zou van onze attitude en ons inlevingsvermogen afhangen – terwijl complexe maatschappijen als de onze schreeuwen om oplossingen die veel meer aanleveren dan het product van ons moreel aanvoelen. Daarom dat vandaag niet toevallig liberale politici empathie hoog in het vaandel dragen: het is hun glijmiddel om ondertussen de verzorgingsstaat, inclusief het sociaal werk, uit te hollen. Zolang individuen maar empathisch zijn, dan hoeft de overheid niet langer de solidariteit te organiseren.

Verder geven de auteurs aan dat ze Sennett prefereren boven mijn stelling omdat dit helderheid ten goede zou komen. Als ik echter de volgende zin lees dan heb ik daar zware twijfels bij: ‘Onsympathieke empathie is dus een cruciale basishouding van alle sociale professionals. Onsympathieke empathie laat toe om ook op een betrokken manier om te gaan met mensen die we niet sympathiek vinden, mensen die we niet begrijpen, mensen die niet op ons lijken en mensen wiens gedrag we niet volledig goedkeuren.’ Zo helder is dat niet. En wat meer is, het biedt, veel meer dan de auteurs mij verwijten, een hopeloze want conceptueel tot verwarring leidende verstrengeling aan tussen empathie en sympathie.

Natuurlijk onderschrijf ik de noodzaak van empathie in sociaal werk. Nergens in mijn boek staat iets anders. Maar dat ook sociaal werk moet gevoelen hoe daar de individuele verantwoordelijkheid door de jaren heen is toegenomen en dat onder het valse voorwendsel van empowerment en vermaatschappelijking van de zorg overheidstaken geoutsourcet worden naar individuele hulpverleners en/of cliënten, daar lees ik niets over, terwijl daar de crux zit: onder onze ogen wordt en is sociaal werk opgenomen in een liberaal paradigma met een moreel sausje erover. Om die fundamentele ideologiekritiek waar ik vandaag o zo weinig over lees, is het mij te doen. Waarom is het symptomatisch dat we vandaag vooral de nadruk leggen op empathie? Omdat we na de val van de Berlijnse muur ons denkapparaat om aan maatschappijkritiek te doen, grotendeels zijn kwijtgespeeld. En dus leuteren we een beetje over onze dialogische vaardigheden terwijl de sociale ongelijkheid toeneemt.

Nu beweren dat we empathie nodig hebben om sociaal werk goed uit te oefenen is een open deur intrappen én is weglopen van wat de maatschappij nodig heeft: het structureel oplossen van sociale problemen. Maar dat meer empathie daartoe de sleutel is, betwijfel ik sterk. Afstand-betrokkenheid is al sinds decennia het spanningsveld van waaruit sociaal werk tot stand komt: met zin voor betrokkenheid en toch kritische afstand om er niet zelf in te verdwijnen. Wie alleen pleit voor meer empathie dreigt in een eenzijdige praktijk terecht te komen die de morele burn-out of morele distress alleen maar zal doen toenemen.

Verderop moet ik vaststellen dat mijn pleidooi voor werkbare onverschilligheid door hen niet goed begrepen is. Ik roep niet op tot burgerlijke onverschilligheid, zoals de auteurs schrijven, maar tot een sterke overheid die niet alles aan het empathisch (on)vermogen van individuele burgers overlaten waardoor die dus niet aanhoudend empathisch moeten zijn. Natuurlijk zou onze onverschilligheid regeringen niet aansporen een rechtvaardiger beleid te voeren. Het is omdat overheden zich hebben teruggetrokken dat wij als burgers op alles moeten betrokken zijn. Denk maar aan het deficit van het vluchtelingenbeleid: burgers helpen vluchtelingen en als ze het doen worden ze nog verweten ‘Gutmenschen’ te zijn. Dàt is het probleem van vandaag.

Tot slot mijn ontgoocheling van een voor de rest gedegen recensie: de auteurs zwijgen vervolgens als vermoord over morele ambivalentie en over de keerzijde van empathie, wat toch de kern van mijn boek uitmaakt. Dat is een gemiste kans omdat daar de inzet van het debat volgens mij om gaat: juist omdat het persoonsbetrokken is, is empathie altijd in staat om in het tegendeel ervan – verontwaardiging en woede – om te slaan, met alle gevolgen vandien. Daarom dat een overheid garant moet staan om een samenleving werkbaar te houden, zowel in de mogelijkheid dat we voor onze naasten blijven zorgen, als in het voorkomen dat we vanuit ons empathisch vermogen voor alle problemen een oplossing zouden moeten voorzien. Als we vandaag ergens aan dreigen ten onder te gaan is het niet ons gebrek aan empathie maar onze overbevraging van empathie, en daaraan gekoppeld, ons gebrek aan maatschappijkritiek die in staat is de ‘verindividualisering’ van maatschappelijke problemen tegen te gaan.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s