(48) Nattevingerwerk 2.0

AUTEUR: Pieter Present

THEMA: Filosofie

OPMERKING: dit artikel gaat verder op (46) Iedereen postmodernist.

Toen men mij er op wees dat Maarten Boudry en Steije Hofhuis een nieuw stuk hadden geschreven waarin ze verdere “bewijzen” trachten aan te leveren voor hun stellingen, was ik benieuwd en verheugd. Ik was namelijk een van de personen die hen verweten dat hun “stuk zelf “feitenvrij” was” en “dat [ze zich] aan “alarmisme” bezondigden”. Ook ik eiste “meer empirische bewijzen voor [hun] stelling.”

In hun stuk doen Boudry en Hofhuis hun best om empirische bewijzen aan te leveren. Ze gaan dieper in op Latour, geven citaten, verwijzen naar andere auteurs (ook met citaten), en ze vermelden cijfers. Op het eerste zicht lijkt dit dus inderdaad te gaan om een reeks “empirische bewijzen”. Wanneer we deze feiten echter nader bekijken door bijvoorbeeld de stukken waarnaar ze verwijzen te lezen, spat hun bewijsmateriaal als een zeepbel uiteen. Het vermeende bewijsmateriaal blijkt een potpourri van selectieve lezingen, nietszeggende cijfers en halfslachtige verwijzingen.

Vooraleer ik dit beargumenteer, wil ik eerst aangeven wat dan wel het soort bewijsmateriaal is dat Boudry en Hofhuis zouden moeten aandragen voor hun stellingen. Deze zijn namelijk op zijn minst ambitieus te noemen. Ik citeer even:

“Wat minder mensen weten is dat een vergelijkbaar arbitraire omgang met de feiten [als die van Trump] in grote delen van onze sociale en geesteswetenschappen al decennia doodnormaal is geworden. […] Sinds de opkomst van het postmodernisme in de jaren zeventig heeft het waarheidsrelativisme als betonrot onze academische instellingen doordrongen, en grote delen van het universitair geschoolde establishment beïnvloed. […] Dit gelegenheidsrelativisme is niet onschuldig. Wetenschappelijk is het een probleem, want wie afwijkt van de links-ideologische lijn krijgt in de academische wereld voortdurend met relativistische debatobstructie te maken. Maar maatschappelijk is het misschien nog wel een groter probleem. Aanzienlijke delen van ons progressieve establishment hebben decennialang schaamteloos van dit gelegenheidsrelativisme gebruik gemaakt, bijvoorbeeld als het ging over immigratie of de natiestaat. Het was een kwestie van tijd voordat hun ideologische tegenstanders iets vergelijkbaars zouden gaan uithalen.” [1]

De thesen die Boudry en Hofhuis naar voor brengen zijn dus de volgende: er is zoiets als “het postmodernisme”, dit “postmodernisme” kent een zeer grote verspreiding in de academische wereld (het heeft “als betonrot onze academische instellingen doordrongen”) en heeft van daaruit een invloed gehad op de maatschappij (“grote delen van het universitair geschoolde establishment beïnvloed”). Dit heeft dan weer mee geleid tot Trumps “alternative facts” (“Het was een kwestie van tijd…”).

De claims van Boudry en Hofhuis zijn dus zeer ambitieus. Het probleem met zulke ambitieuze claims is natuurlijk dat je jezelf opzadelt met een zeer grote bewijslast. Om het in SKEPP-termen [2] te zeggen: “Een buitengewone bewering vereist buitengewone bewijzen.” Wat voor soort bewijsvoering zouden we dan moeten verwachten voor de beweringen van Boudry en Hofhuis? Als ik de claim over de invloed van het “postmoderne denken” zou zien als een oefening in intellectuele geschiedschrijving zou ik volgende zaken willen horen:

  1. Een duidelijke omlijning van “het postmodernisme”.

Men zou kunnen zeggen dat dit een veel te zware eis is. Wanneer men echter precies wil spreken over de invloed van een intellectuele beweging, is dit onmisbaar. Anders kan men de groep zo breed definiëren of de definitie zo vaag houden dat het gemakkelijk is om overal aanhangers van de groep te zien. Op die manier wordt het triviaal om te spreken van een grote invloed. Vergelijk het met de manier waarop men in extreem-linkse kringen argumenteert dat het fascisme aan een grote opmars bezig is in de huidige maatschappij. Gezien het gemak waarmee iemand daar als ‘fascist’ gelabeld wordt, is dit nogal een triviale claim om te maken en zegt men hier in feite weinig mee.

Het is dan ook ironisch dat Boudry (die elders kritiek geleverd heeft op het gebruiken van vaagheid als immunisatiestrategie in debatten) hier zichzelf samen met Hofhuis wel dat recht toekent:

“Het “postmodernisme” was nooit een coherente doctrine, maar verwijst naar een losse verzameling van voornamelijk Franse denkers die vanaf de jaren ’60-70 vandalisme hebben gepleegd op de kernbegrippen van de wetenschap: waarheid, objectiviteit, werkelijkheid. Dat die denkers zichzelf niet als postmodernist omschrijven, of het onderling oneens zijn, doet niet ter zake. Er zijn ook weinig mensen die zich “neoliberaal” of “populist” noemen, wat niet wil zeggen dat die stromingen niet bestaan. […] Maar doordat het postmodernisme geen vastomlijnde ideeënschool is en weinig zelfverklaarde aanhangers kent, heeft het een diffuse invloed die niet zo makkelijk te meten is.”  [3]

Het feit dat er “weinig mensen [zijn] die zich “neoliberaal” of “populist” noemen”, wil uiteraard niet zeggen dat die stromingen niet bestaan. Maar wat Boudry en Hofhuis moeten doen, en hier nalaten te doen, is duidelijk aangeven wat het “postmodernisme” zoals zij het begrijpen unificeert én aantonen dat daar ook een reëel en invloedrijk fenomeen aan beantwoordt. Merk op dat Boudry in een eerder stuk op analoge manier zelf kritiek gaf op het idee dat “het neoliberalisme” een wijd verspreid sociaal fenomeen is. Hij vroeg zich af: “Waar houden al die neoliberalen zich schuil?” [4] Om Boudry zelf dan maar te parafraseren: In de handen van Boudry en Hofhuis is de term ‘postmodernisme’ à la limite een vergaarbak voor al wat morrelt en mankeert aan het huidige intellectuele klimaat. Geen wonder dat ze er niet in slagen er een duidelijke inhoud aan te geven. Wie de term “neoliberalisme” in Boudry’s oude stuk vervangt door “postmodernisme” wordt al aardig op weg gezet om te begrijpen wat er problematisch is aan het verhaal van hem en Hofhuis.

  1. Duidelijke bewijzen voor de globale verspreiding van deze ideeën en de inbedding ervan in de academische wereld.

Gezien het hier gaat om de verspreiding in zowel de onderzoeks- als de onderwijspraktijk denk ik aan zowel boeken, wetenschappelijke artikels, als aan curricula, thesisonderwerpen, etc.

  1. Bewijzen voor de causale bewering dat deze ideeën binnen de academische wereld een invloed hebben gehad op het culturele leven daarbuiten, en uiteindelijk mee Trumps “alternative facts” mogelijk hebben gemaakt.

Aangezien deze laatste causale bewering wat naar de achtergrond geschoven is in het laatste stuk, zal ik in wat volgt ingaan op 2. Het is namelijk op deze eis dat Boudry en Hofhuis proberen ingaan in hun stuk. Laten we de bewijzen die ze aanleveren eens van dichterbij bekijken.

Onder het motto “meten is weten”, verwijzen Boudry en Hofhuis naar citatie-ranglijsten om “concrete ondersteuning voor [hun] stelling” aan te leveren. Zoals sociale wetenschappers weten is het probleem met cijfermateriaal echter dat het goed geïnterpreteerd moet worden. Een eerste probleem met het cijfermateriaal is dan ook dat het aantal keer dat een bepaalde auteur geciteerd wordt geen indicatie is voor de aanvaarding van de ideeën van deze auteur in een bepaalde discipline. Als iemand naar pakweg Foucault verwijst om hem te bekritiseren, wordt dit eveneens als een citatie opgenomen in dit soort lijsten. Op zich genomen zegt een citatielijst dus niet veel over de houding die ten opzichte van het geciteerde materiaal wordt aangenomen. [5] Men zou evengoed kunnen argumenteren dat Richard Dawkins een zeer gelovig auteur is door te verwijzen naar de veelvuldige Bijbel – en Korancitaten in zijn oeuvre.

Zelfs als we mee zouden gaan in de redenering dat deze cijfers een indicatie bieden voor de mate van invloed van die auteurs, moet ook nog aangetoond worden dat zij daadwerkelijk “postmodernisten” zijn in de zin van Boudry en Hofhuis. Het meeste aandacht besteden ze aan Latour. Laat ons dus hem er eens uitnemen. Wie de moeite doet om de stukken te lezen waar Boudry en Hofhuis naar verwijzen, kan meteen zien dat ze wel een heel selectieve en vertekende lezing geven van Latour. Ze citeren Latour als volgt: “Er is geen verschil tussen het “echte” en het “niet echte”, het “echte” en het “mogelijke”, het “echte” en het “imaginaire””. Wie het origineel erop raadpleegt, ziet onmiddellijk dat deze zin uit haar context is gerukt. De volledige passage loopt als volgt:

“The real is not one thing among others but rather gradients of resistance. There is no difference between the ‘real’ and the ‘unreal’, the ‘real’ and the ‘possible’, the ‘real’ and the ‘imaginary’. Rather, there are all the differences experienced between those that resist for long and those that do not, those that resist courageously and those that do not, those that know how to ally or isolate themselves and those that do not”. [6]

Eerder dan een ontkenning van het onderscheid tussen het echte en het niet echte, gaat het hier om een reflectie over hoe we een term als “echt” of “reëel” moeten begrijpen. Waar Latour zich tegen verzet is de reïficatie van het echte, het zien van “het echte” als een ding dat tegen “het onechte” geplaatst kan worden. De notie van weerstand die Latour hier introduceert toont dan ook dat hij niet gezien kan worden als een relativist. Wat reëel is, is voor hem per definitie datgene wat weerstand biedt in de omgang ermee. Met andere woorden, het reële is net datgene wat een zelfstandigheid en onafhankelijkheid vertoont die zodanig is dat we er niet zomaar eender wat over kunnen zeggen of denken, zoals het ”postmoderne” waarheidsrelativisme volgens Boudry en Hofhuis beweert. Het heeft voor Latour geen zin om over onze kennis van de werkelijkheid te spreken, zonder onze praktische en materiële omgang ermee in rekening te brengen, wat ook op dezelfde pagina als degene die Boudry en Hofhuis aanhalen wordt duidelijk gemaakt.  Het is dan ook in deze zin dat Latour, zoals Dijstelbloem en van der Meer aanhaalden, aansluit bij het Amerikaans pragmatisme. [7]

In zijn bespreking van Ramses maakt Latour net hetzelfde punt. Als we die bespreking er even op nalezen, zien we op p. 249 dat Latour net wel wil erkennen dat Ramses gestorven is aan tuberculose. Hij schrijft: “Koch bacillus can be extended into the past to be sure –contrary to the radical anti-whiggish position [dit is de positie die Boudry en Hofhuis aan hem toeschrijven]– but this cannot be done at no cost. To allow for such an extension, some work has to be done, especially some laboratory work”.

Wat hij probeert te doen, is net na te gaan hoe we het statuut van dergelijke uitspraken moeten begrijpen, met name door de wetenschappelijke (en technische en materiële) praktijken waarin deze conclusie tot stand komt (de operatie op Ramses’ dode lichaam) mee in rekening te brengen. Op deze manier heeft Latours nadruk dus een zekere gelijkenis met het operationalisme van de fysicus P.W. Bridgman, wie niemand van “postmodernisme” of “relativisme” zou beschuldigen. [8]

Ik heb hier gefocust op Latour, maar een gelijkaardige bespreking zouden we kunnen doen voor de meeste andere personen die Boudry en Hofhuis van ”postmodernisme” beschuldigen. Keer op keer is de reële positie van deze denkers een stuk complexer dan Boudry en Hofhuis laten uitschijnen, en beantwoordt ze geenszins aan hun makkelijke karikatuur van wat ‘postmodernisme’ zou inhouden.

Boudry en Hofhuis slagen er dus niet in om hun buitengewone beweringen te staven met buitengewone bewijzen. Wil ik hiermee ontkennen dat er denkers en schrijvers zijn die problematische of relativistische zaken zeggen? Geenszins. Boudry en Hofhuis mogen wat mij betreft (overigens terecht) kritiek geven op zulke uitingen waar ze zich voordoen. Ze mogen gerust ook spectaculaire claims maken, maar dan wel gestaafd conform de normen die ze zelf beweren aan te hangen. Laat mij afsluiten met de moraal van Boudry’s eigen bovenvermelde kritiek ten aanzien van Verhaeghe’s werk over het neoliberalisme:

“Voor wie met een hamer zwaait, ziet alles eruit als een spijker. Daarmee is niet gezegd dat Verhaeghe geen enkele kop slaat. Maar elke anekdote wordt uitvergroot tot een generalisatie over de hele samenleving.” [9]

* Met dank aan Wim Vanrie voor het nalezen en de suggesties.

Bronnen

[1] https://www.nrc.nl/nieuws/2017/10/27/linkse-feitenvrije-wetenschap-ging-aan-trump-vooraf-a1578932

[2] https://skepp.be/

[3] https://www.nrc.nl/nieuws/2017/11/29/het-vandalisme-van-ideologische-wetenschap-a1582915

[4] “Geef de neoliberalen maar weer de schuld”, Trouw, 08-12-2012, https://biblio.ugent.be/publication/3143445/file/3143455.

[5] Wie bovendien de moeite doet om een beetje verder te lezen, ziet dat in het geval van de sociale wetenschappen de meest geciteerde methodologische werken postmoderne kleppers zijn als Applied Mutliple Regression/Correlation Analysis for the Behavioural Sciences, Using Multivariate Statistics, en An Introduction to Probability Theory and its Applications. (http://blogs.lse.ac.uk/impactofsocialsciences/2016/05/12/what-are-the-most-cited-publications-in-the-social-sciences-according-to-google-scholar/)

[6] Bruno Latour, 1988, The Pasteurization of France. Translated by Alan Sheridan and John Law (Cambridge, MA: Harvard University Press), p. 159.

[7] https://www.nrc.nl/nieuws/2017/11/08/kom-kom-zo-feitenvrij-als-trump-is-de-wetenschap-niet-a1580397

[8] https://plato.stanford.edu/entries/operationalism/

[9] Boudry, “Geef de neoliberalen maar weer de schuld,” p. 7.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s